© Nico Kroon
  Biografie
  Bibliografie
  Susan in de media
  Lezingen

Home - Auteur - Bibliografie - Wat er niet meer is       

 


Wat er niet meer is - leesfragment

1

Nee, laat de gordijnen nog maar even dicht, het schemerdonker bevalt me wel. Ik verdraag het daglicht bijzonder slecht tegenwoordig, zelfs voor mijn doen. Misschien lijd ik wel aan een soort omgekeerde nyctofobie; geen angst voor de nacht en het duister, maar vrees voor de dag. Ik zorg er in ieder geval voor dat ik het grootste deel ervan lig te slapen.
De dag wordt overgewaardeerd, vind ik. Net als zonlicht. Ik heb nooit begrepen waarom mensen het ‘zonde’ vinden om binnen te blijven als de zon schijnt. Die bespottelijke drang om licht te vangen, stukken vlees eraan bloot te stellen, die opgestroopte mouwen, dat zweet dat zich ophoopt in knieholten en oksels - ik gruwel ervan. Typisch Hollandse gewoonte, trouwens. Normale mensen, zoals Grieken en Italianen, zoeken tijdens de heetste uren van de dag de koelte binnen de muren van hun huis op.
Je vindt het toch niet erg om vandaag te luisteren in plaats van te neuken? Maak je geen zorgen, ik betaal je hetzelfde bedrag. Ik zal vast niet de enige man zijn die hier achter de ramen niet zijn zaad, maar zijn verhaal kwijt wil. Of allebei. Eerst neuken, dan praten, zodat je niet meer wordt afgeleid door diepe decolletés en dijen onder korte rokjes.
Ik weet niet waarom ik jou zo makkelijk mijn diepste gedachten vertel. Misschien denk ik dat een hoer niet oordeelt. Of vind ik dat ze geen recht heeft om te oordelen en heeft haar mening weinig gewicht voor mij. Of dat betekent dat ik op je neerkijk? Mogelijk. Laat ik zeggen dat ik van een vrouw die me zonder vragen te stellen, toelaat in haar lichaam niet al te veel kritiek verwacht op mijn ontboezemingen.
Waarschijnlijk heeft het ook te maken met het feit dat iets in jou me doet denken aan haar. Ik ben er nog niet uit wat dat precies is. Het zit in de manier waarop je uit je ogen kijkt, alsof dat wat je ziet niet helemaal bij je binnenkomt, je draait ervan weg, vermengt de beelden met je gedachtenwereld en maakt er je eigen acceptabele versie van. Jij doet dat uit zelfbescherming, veronderstel ik. Er zal niet veel fraais en verhevens plaatsvinden in deze peeskamer.
Bij haar kwam het voort uit iets anders. Een hang naar schoonheid. Deze werd voor naïviteit versleten, maar het was het welbewust verfraaien van de werkelijkheid als deze niet strookte met haar binnenwereld én het terzijde schuiven van alles wat niet van haar gading was. Ook zelfbescherming, dus. Bij nader inzien.
Natuurlijk is de oorzaak van mijn ellende een vrouw. Wat zou het anders moeten zijn? En natuurlijk hebben we het hier over niet zomaar een vrouw, dat zal je ook niet verbazen. Zij raakte me toen ik niet meer verwachtte geraakt te worden. Bijna ongemerkt nestelde ze zich in mijn innerlijk, eerst bescheiden, gaandeweg steeds steviger en prominenter, tot ik aan niets anders meer kon denken dan aan haar.

Ze was geen klassieke schoonheid. De eerste keer dat ik haar zag, op de première van een opera, vond ik haar zelfs wat gewoontjes, met die bleke teint en dat bruine haar dat in springerige plukken op haar schouders viel. Er waren veel mooiere vrouwen aanwezig, gehuld in jurken die omhooggewerkte boezems toonden, maar toch dwaalde mijn oog steeds af naar die vrouw in haar eenvoudige, rechte japon. Vanaf de andere kant van de ruimte zag ik haar in lachen uitbarsten en ik wilde weten wat haar gesprekspartner had gezegd dat ze zo grappig vond. Ze wekte nog geen begeerte, maar wel nieuwsgierigheid in me op.
Later zou ik haar de mooiste vrouw vinden die ik ooit had gekend. Merkwaardig is dat toch. De egale trekken van een vrouw wiens binnenwereld je onberoerd laat, worden steeds valer tot ze hun glans helemaal verliezen, terwijl een vrouw met een doorsnee uiterlijk steeds mooier wordt als ze je weet te boeien met haar gedachten. Haar trekken worden verzacht door iets wat dieper ligt dan de huid, ze krijgen diepgang en betekenis door wat erdoorheen schijnt. Schoon in elk oog is wat het bemint, neem ik aan.
Ik heb een pesthekel aan dat soort feestjes. Ik schrijf libretto’s op composities, daarna stuur ik ze naar het operagezelschap en wil ik er niets meer mee te maken hebben. Ik ga niet, nooit, naar try-outs, repetities, voorstellingen. Ik vertoon me plichtsgetrouw op de première en verder reikt mijn compromis niet. Regisseurs weten dat van me en respecteren het. Soms verdenk ik hen er zelfs van dat ze me om die reden inhuren. Weer een schakel in het geheel minder die zich met hun artistieke keuzes bemoeit.
Premières zijn gênante vertoningen, waar ik me eerst zit op te winden over details in de uitvoering die ik me anders had voorgesteld, en daarna over de idioterie die met dergelijke gelegenheden gepaard gaat. Er lopen mensen rond waarvan ik niet weet wat ze er te zoeken hebben, gehuld in potsierlijke outfits, links en rechts complimentjes uitdelend. Inhoudelijk zijn die opmerkingen vlak, clichématig, maar ze worden met een geestdrift geuit alsof ze Nietzsche citeren. Blijkbaar denken mensen dat het debiteren van gemeenplaatsen niet opvalt als je dat op geëxalteerde wijze doet. De zangers en muzikanten nemen die complimenten niet minder enthousiast in ontvangst, trouwens. Zo gaat dat in die wereld. Literatoren en beeldend kunstenaars willen onderling nog wel eens pittige kritiek uitwisselen, maar bij podiumdieren is dat ondenkbaar. Misschien moet je een iets te positief zelfbeeld hebben om avond aan avond het publiek aan te kunnen, dat direct na de voorstelling haar waardering of het gebrek daaraan laat blijken.
Voor mij is de mening van het publiek, dat wat toneelspelers het veelkoppige monster noemen, niet belangrijk. De mening van recensenten nog minder. Zodra mijn teksten mijn werkkamer uit zijn, zijn ze niet langer van mij. Ze zijn gemeengoed geworden waarmee naar willekeur gerommeld wordt - omdat een zanger er niet mee uit de voeten kan, een decorwisseling het in de war stuurt of de componist zijn muziek toch nog omgooit. Dus waarom zou ik mij kritiek persoonlijk aantrekken?
Toen ik die avond een whisky aan de bar wilde bestellen, stond ze ineens naast me. Van dichtbij zag ik de fijne lijntjes bij haar ogen. De lippen die van veraf bleek hadden geleken, waren nu vol en rozig. Ze glimlachte naar me, omdat ik nu eenmaal naast haar stond en omdat wachten op de attenties van een barkeeper iets knulligs heeft. Ik vroeg haar wat ze wilde drinken, het was niet meer dan hoffelijk om dat te doen, en dankbaar gaf ze haar bestelling aan me door. Nu het van mijn doortastendheid afhing wanneer de barkeeper onze drankjes inschonk, werd het een cruciale kwestie: als mijn wenken te bescheiden waren zou ik in haar ogen een sukkel zijn, als ik me te drammerig gedroeg een aanmatigende klootzak. Opgelucht zag ik dat de barkeeper mijn kant op kwam om de bestelling op te nemen.
Ik weet niet meer precies wat ze tegen me zei - iets over de voorstelling, neem ik aan. Voordat ik het wist, stonden we over operamuziek te praten. Verdi, Gounod en Bizet kwamen langs, ze repte over harmonische wendingen, gedurfde fraseringen en melodische lijnen. Ze wekte niet de indruk haar kennis te willen etaleren, maar haar relaas verraadde wel kennis van zaken. En een voorliefde voor grootse, theatrale stukken - op het kitscherige af. Le grand opéra met honderdkoppige koren, monsterballetten en dramatische liefdesconflicten. Met dergelijke voorkeuren moest er onder dat smaakvolle, ingetogen uiterlijk wel een hartstochtelijke natuur schuilgaan.
Terwijl ze praatte, vroeg ik me af of ze joods was. Niet alleen haar gelaatstrekken, maar ook haar lichaamstaal kwamen me onmiskenbaar joods voor. Er zat iets van argwaan, van terughoudendheid in haar houding, alsof ze zich afschermde tegen de kille, onverschillige wereld en haar beschaving gebruikte om er toch mondjesmaat mee in contact te treden. Kunst diende voor haar als troost, dat had ik onmiddellijk door. Ja zeg, dat herken ik zelf maar al te goed: kunst gebruiken om je te verzoenen met het leven, om recht te zetten wat het leven heeft verkracht. Om te genezen. Vrijuit haar ideeën over muziek met mij delen was zo bezien een intieme daad. Haar manier om een verbinding te maken.
Over haar lichaam viel weinig te zeggen. Haar borsten leken in orde, maar helaas begon haar jurk op het punt waar je er werkelijk iets van kunt zeggen. Haar armen en schouders waren tenger, op het knokige af. Haar huid was bleek, maar zuiver. Alles leek in proportie. Zou ze doorhebben dat ik haar lichaam aan het beoordelen was? Het is de macht der gewoonte. Mannen lopen die dingen na alsof het agendapunten zijn, terwijl ze onderwijl de indruk wekken aandachtig naar een vrouw te luisteren. We kunnen niet anders.
Ik vroeg haar wat ze van de voorstelling vond.
‘Ik heb me goed vermaakt,’ zei ze.
Ik knikte.
‘Al werd ik na verloop van tijd kriebelig van die elegante nootjes, dat blijmoedige majeur gedartel. Van mij mag het allemaal wel wat robuuster.’
Zo. Geen gratuite borrelpraat bij deze dame.
Ik nam me voor te zeggen dat ik de librettist was die de teksten had verzonnen op ‘dat blijmoedige gedartel’. Stiekem was ik het met haar eens. Ook ik had de heftigheid in deze productie gemist, ook ik had gloeiend de pest aan dat gepriegel, maar moest het doen met de lichtvoetige noten die mij waren toebedeeld. Het was een moeizame, langdurige klus geweest om passende woorden te vinden. Ik had niet bepaald kramp in mijn hand gekregen van het bijhouden van al mijn invallen, zullen we maar zeggen.
Toen ze zich na een paar minuten van me losmaakte en terugkeerde naar haar gezelschap, besefte ik dat ik niets had gevraagd waardoor ik haar later zou kunnen opsporen. Ik wist niets van haar; geen naam, geen beroep, geen reden waarom ze hier vanavond was. Bovendien had ik haar nooit eerder gezien in de stad, dus de kans dat ik haar ooit nog tegenkwam was klein. Ik overwoog haar achterna te lopen, maar toen ik zag dat ze zich meteen weer in een gesprek met haar vrienden mengde, liet ik het maar zo.
Een gemiste kans, één in een lange reeks.

Later heb ik die eerste ontmoeting eindeloos in herinnering gebracht: de geïnteresseerde blik, niet in het minst verlegen, waarmee ze me aankeek, de hoofdknikjes waarmee ze liet blijken dat wat ik zei haar beviel, de manier waarop ze zich uiteindelijk, bijna spijtig, omkeerde en wegliep.
Verliefde stelletjes spelen eindeloos vaak het ‘weet je nog’-spelletje. Weet je nog hoe je naar me lachte? Weet je nog hoe ik je plaagde met je veel te dikke jas? Het is een poging om die eerste vluchtige ontmoeting het gewicht te geven dat het, in retrospectief, verdient, en om het mysterie van de aantrekkingskracht tussen juist hem en juist haar op te lossen. Ook al gebeurde niet zo veel opzienbarends, later besluiten we dat alles van onschatbaar belang was voor de vorming van die prille liefde.
Zij en ik hebben dat spelletje nooit gespeeld, omdat we tijdens de schamele ogenblikken dat we samen waren nieuwe herinneringen wilde aanmaken in plaats van tijd te verliezen met het beschouwen van de oude. Dat deed ik wel als ik weer alleen was, met de illusie dat zij dezelfde dingen herbeleefde, misschien wel op hetzelfde moment.
Dat is een illusie, inderdaad. Niets is zo ontluisterend als wanneer de geliefde iets niet meer blijkt te weten wat jij tientallen malen in herinnering hebt geroepen. Je voelt je verraden. Gekwetst. Je neemt het haar kwalijk, ook al weet je dat zij op haar beurt dingen in haar geest bewaart die jij bent vergeten of die je niet eens zijn opgevallen.
Helaas. Ook al lijkt het in de geest van verliefden alsof je samen één leven leeft, we herinneren ons allemaal andere dingen en stellen ons de toekomst anders voor.


- Titelinformatie
- Leesfragment
- Recensies

- Gesigneerd exemplaar
- Bol.com

   Wat er niet meer is
   Susan Smit
   Gebonden
   ISBN: 9789048800469
   E 15,00
 

 


                                                                                                                                Terug naar top

Alle teksten op deze site © Susan Smit, tenzij anders vermeld. / Webdesign: Xntriq.nl