| |
Wat er niet meer is - leesfragment
1
Nee, laat de gordijnen nog maar even dicht, het schemerdonker
bevalt me wel. Ik verdraag het daglicht bijzonder slecht tegenwoordig,
zelfs voor mijn doen. Misschien lijd ik wel aan een soort
omgekeerde nyctofobie; geen angst voor de nacht en het duister,
maar vrees voor de dag. Ik zorg er in ieder geval voor dat
ik het grootste deel ervan lig te slapen.
De dag wordt overgewaardeerd, vind ik. Net als zonlicht. Ik
heb nooit begrepen waarom mensen het ‘zonde’ vinden
om binnen te blijven als de zon schijnt. Die bespottelijke
drang om licht te vangen, stukken vlees eraan bloot te stellen,
die opgestroopte mouwen, dat zweet dat zich ophoopt in knieholten
en oksels - ik gruwel ervan. Typisch Hollandse gewoonte, trouwens.
Normale mensen, zoals Grieken en Italianen, zoeken tijdens
de heetste uren van de dag de koelte binnen de muren van hun
huis op.
Je vindt het toch niet erg om vandaag te luisteren in plaats
van te neuken? Maak je geen zorgen, ik betaal je hetzelfde
bedrag. Ik zal vast niet de enige man zijn die hier achter
de ramen niet zijn zaad, maar zijn verhaal kwijt wil. Of allebei.
Eerst neuken, dan praten, zodat je niet meer wordt afgeleid
door diepe decolletés en dijen onder korte rokjes.
Ik weet niet waarom ik jou zo makkelijk mijn diepste gedachten
vertel. Misschien denk ik dat een hoer niet oordeelt. Of vind
ik dat ze geen recht heeft om te oordelen en heeft haar mening
weinig gewicht voor mij. Of dat betekent dat ik op je neerkijk?
Mogelijk. Laat ik zeggen dat ik van een vrouw die me zonder
vragen te stellen, toelaat in haar lichaam niet al te veel
kritiek verwacht op mijn ontboezemingen.
Waarschijnlijk heeft het ook te maken met het feit dat iets
in jou me doet denken aan haar. Ik ben er nog niet uit wat
dat precies is. Het zit in de manier waarop je uit je ogen
kijkt, alsof dat wat je ziet niet helemaal bij je binnenkomt,
je draait ervan weg, vermengt de beelden met je gedachtenwereld
en maakt er je eigen acceptabele versie van. Jij doet dat
uit zelfbescherming, veronderstel ik. Er zal niet veel fraais
en verhevens plaatsvinden in deze peeskamer.
Bij haar kwam het voort uit iets anders. Een hang naar schoonheid.
Deze werd voor naïviteit versleten, maar het was het
welbewust verfraaien van de werkelijkheid als deze niet strookte
met haar binnenwereld én het terzijde schuiven van
alles wat niet van haar gading was. Ook zelfbescherming, dus.
Bij nader inzien.
Natuurlijk is de oorzaak van mijn ellende een vrouw. Wat zou
het anders moeten zijn? En natuurlijk hebben we het hier over
niet zomaar een vrouw, dat zal je ook niet verbazen. Zij raakte
me toen ik niet meer verwachtte geraakt te worden. Bijna ongemerkt
nestelde ze zich in mijn innerlijk, eerst bescheiden, gaandeweg
steeds steviger en prominenter, tot ik aan niets anders meer
kon denken dan aan haar.
Ze was geen klassieke schoonheid. De eerste keer dat ik haar
zag, op de première van een opera, vond ik haar zelfs
wat gewoontjes, met die bleke teint en dat bruine haar dat
in springerige plukken op haar schouders viel. Er waren veel
mooiere vrouwen aanwezig, gehuld in jurken die omhooggewerkte
boezems toonden, maar toch dwaalde mijn oog steeds af naar
die vrouw in haar eenvoudige, rechte japon. Vanaf de andere
kant van de ruimte zag ik haar in lachen uitbarsten en ik
wilde weten wat haar gesprekspartner had gezegd dat ze zo
grappig vond. Ze wekte nog geen begeerte, maar wel nieuwsgierigheid
in me op.
Later zou ik haar de mooiste vrouw vinden die ik ooit had
gekend. Merkwaardig is dat toch. De egale trekken van een
vrouw wiens binnenwereld je onberoerd laat, worden steeds
valer tot ze hun glans helemaal verliezen, terwijl een vrouw
met een doorsnee uiterlijk steeds mooier wordt als ze je weet
te boeien met haar gedachten. Haar trekken worden verzacht
door iets wat dieper ligt dan de huid, ze krijgen diepgang
en betekenis door wat erdoorheen schijnt. Schoon in elk oog
is wat het bemint, neem ik aan.
Ik heb een pesthekel aan dat soort feestjes. Ik schrijf libretto’s
op composities, daarna stuur ik ze naar het operagezelschap
en wil ik er niets meer mee te maken hebben. Ik ga niet, nooit,
naar try-outs, repetities, voorstellingen. Ik vertoon me plichtsgetrouw
op de première en verder reikt mijn compromis niet.
Regisseurs weten dat van me en respecteren het. Soms verdenk
ik hen er zelfs van dat ze me om die reden inhuren. Weer een
schakel in het geheel minder die zich met hun artistieke keuzes
bemoeit.
Premières zijn gênante vertoningen, waar ik me
eerst zit op te winden over details in de uitvoering die ik
me anders had voorgesteld, en daarna over de idioterie die
met dergelijke gelegenheden gepaard gaat. Er lopen mensen
rond waarvan ik niet weet wat ze er te zoeken hebben, gehuld
in potsierlijke outfits, links en rechts complimentjes uitdelend.
Inhoudelijk zijn die opmerkingen vlak, clichématig,
maar ze worden met een geestdrift geuit alsof ze Nietzsche
citeren. Blijkbaar denken mensen dat het debiteren van gemeenplaatsen
niet opvalt als je dat op geëxalteerde wijze doet. De
zangers en muzikanten nemen die complimenten niet minder enthousiast
in ontvangst, trouwens. Zo gaat dat in die wereld. Literatoren
en beeldend kunstenaars willen onderling nog wel eens pittige
kritiek uitwisselen, maar bij podiumdieren is dat ondenkbaar.
Misschien moet je een iets te positief zelfbeeld hebben om
avond aan avond het publiek aan te kunnen, dat direct na de
voorstelling haar waardering of het gebrek daaraan laat blijken.
Voor mij is de mening van het publiek, dat wat toneelspelers
het veelkoppige monster noemen, niet belangrijk. De mening
van recensenten nog minder. Zodra mijn teksten mijn werkkamer
uit zijn, zijn ze niet langer van mij. Ze zijn gemeengoed
geworden waarmee naar willekeur gerommeld wordt - omdat een
zanger er niet mee uit de voeten kan, een decorwisseling het
in de war stuurt of de componist zijn muziek toch nog omgooit.
Dus waarom zou ik mij kritiek persoonlijk aantrekken?
Toen ik die avond een whisky aan de bar wilde bestellen, stond
ze ineens naast me. Van dichtbij zag ik de fijne lijntjes
bij haar ogen. De lippen die van veraf bleek hadden geleken,
waren nu vol en rozig. Ze glimlachte naar me, omdat ik nu
eenmaal naast haar stond en omdat wachten op de attenties
van een barkeeper iets knulligs heeft. Ik vroeg haar wat ze
wilde drinken, het was niet meer dan hoffelijk om dat te doen,
en dankbaar gaf ze haar bestelling aan me door. Nu het van
mijn doortastendheid afhing wanneer de barkeeper onze drankjes
inschonk, werd het een cruciale kwestie: als mijn wenken te
bescheiden waren zou ik in haar ogen een sukkel zijn, als
ik me te drammerig gedroeg een aanmatigende klootzak. Opgelucht
zag ik dat de barkeeper mijn kant op kwam om de bestelling
op te nemen.
Ik weet niet meer precies wat ze tegen me zei - iets over
de voorstelling, neem ik aan. Voordat ik het wist, stonden
we over operamuziek te praten. Verdi, Gounod en Bizet kwamen
langs, ze repte over harmonische wendingen, gedurfde fraseringen
en melodische lijnen. Ze wekte niet de indruk haar kennis
te willen etaleren, maar haar relaas verraadde wel kennis
van zaken. En een voorliefde voor grootse, theatrale stukken
- op het kitscherige af. Le grand opéra met honderdkoppige
koren, monsterballetten en dramatische liefdesconflicten.
Met dergelijke voorkeuren moest er onder dat smaakvolle, ingetogen
uiterlijk wel een hartstochtelijke natuur schuilgaan.
Terwijl ze praatte, vroeg ik me af of ze joods was. Niet alleen
haar gelaatstrekken, maar ook haar lichaamstaal kwamen me
onmiskenbaar joods voor. Er zat iets van argwaan, van terughoudendheid
in haar houding, alsof ze zich afschermde tegen de kille,
onverschillige wereld en haar beschaving gebruikte om er toch
mondjesmaat mee in contact te treden. Kunst diende voor haar
als troost, dat had ik onmiddellijk door. Ja zeg, dat herken
ik zelf maar al te goed: kunst gebruiken om je te verzoenen
met het leven, om recht te zetten wat het leven heeft verkracht.
Om te genezen. Vrijuit haar ideeën over muziek met mij
delen was zo bezien een intieme daad. Haar manier om een verbinding
te maken.
Over haar lichaam viel weinig te zeggen. Haar borsten leken
in orde, maar helaas begon haar jurk op het punt waar je er
werkelijk iets van kunt zeggen. Haar armen en schouders waren
tenger, op het knokige af. Haar huid was bleek, maar zuiver.
Alles leek in proportie. Zou ze doorhebben dat ik haar lichaam
aan het beoordelen was? Het is de macht der gewoonte. Mannen
lopen die dingen na alsof het agendapunten zijn, terwijl ze
onderwijl de indruk wekken aandachtig naar een vrouw te luisteren.
We kunnen niet anders.
Ik vroeg haar wat ze van de voorstelling vond.
‘Ik heb me goed vermaakt,’ zei ze.
Ik knikte.
‘Al werd ik na verloop van tijd kriebelig van die elegante
nootjes, dat blijmoedige majeur gedartel. Van mij mag het
allemaal wel wat robuuster.’
Zo. Geen gratuite borrelpraat bij deze dame.
Ik nam me voor te zeggen dat ik de librettist was die de teksten
had verzonnen op ‘dat blijmoedige gedartel’. Stiekem
was ik het met haar eens. Ook ik had de heftigheid in deze
productie gemist, ook ik had gloeiend de pest aan dat gepriegel,
maar moest het doen met de lichtvoetige noten die mij waren
toebedeeld. Het was een moeizame, langdurige klus geweest
om passende woorden te vinden. Ik had niet bepaald kramp in
mijn hand gekregen van het bijhouden van al mijn invallen,
zullen we maar zeggen.
Toen ze zich na een paar minuten van me losmaakte en terugkeerde
naar haar gezelschap, besefte ik dat ik niets had gevraagd
waardoor ik haar later zou kunnen opsporen. Ik wist niets
van haar; geen naam, geen beroep, geen reden waarom ze hier
vanavond was. Bovendien had ik haar nooit eerder gezien in
de stad, dus de kans dat ik haar ooit nog tegenkwam was klein.
Ik overwoog haar achterna te lopen, maar toen ik zag dat ze
zich meteen weer in een gesprek met haar vrienden mengde,
liet ik het maar zo.
Een gemiste kans, één in een lange reeks.
Later heb ik die eerste ontmoeting eindeloos in herinnering
gebracht: de geïnteresseerde blik, niet in het minst
verlegen, waarmee ze me aankeek, de hoofdknikjes waarmee ze
liet blijken dat wat ik zei haar beviel, de manier waarop
ze zich uiteindelijk, bijna spijtig, omkeerde en wegliep.
Verliefde stelletjes spelen eindeloos vaak het ‘weet
je nog’-spelletje. Weet je nog hoe je naar me lachte?
Weet je nog hoe ik je plaagde met je veel te dikke jas? Het
is een poging om die eerste vluchtige ontmoeting het gewicht
te geven dat het, in retrospectief, verdient, en om het mysterie
van de aantrekkingskracht tussen juist hem en juist haar op
te lossen. Ook al gebeurde niet zo veel opzienbarends, later
besluiten we dat alles van onschatbaar belang was voor de
vorming van die prille liefde.
Zij en ik hebben dat spelletje nooit gespeeld, omdat we tijdens
de schamele ogenblikken dat we samen waren nieuwe herinneringen
wilde aanmaken in plaats van tijd te verliezen met het beschouwen
van de oude. Dat deed ik wel als ik weer alleen was, met de
illusie dat zij dezelfde dingen herbeleefde, misschien wel
op hetzelfde moment.
Dat is een illusie, inderdaad. Niets is zo ontluisterend als
wanneer de geliefde iets niet meer blijkt te weten wat jij
tientallen malen in herinnering hebt geroepen. Je voelt je
verraden. Gekwetst. Je neemt het haar kwalijk, ook al weet
je dat zij op haar beurt dingen in haar geest bewaart die
jij bent vergeten of die je niet eens zijn opgevallen.
Helaas. Ook al lijkt het in de geest van verliefden alsof
je samen één leven leeft, we herinneren ons
allemaal andere dingen en stellen ons de toekomst anders voor.
|
|