| |
De stad en de sterren
-
leesfragment
Het S-woord
Nog liever trek ik een paar
haren uit mijn hoofd of laat ik een kies vullen, zo’n
hekel heb ik eraan. Het is veel makkelijker om te blijven
hangen in onredelijkheid, boosheid of een kan-me-lekker-toch-niks-schelen-houding.
Maar uiteindelijk moet het toch, natuurlijk - schoorvoetend,
met hangende pootjes en de staart tussen de benen. Het heeft
maar twee lettergrepen, maar het is toch het moeilijkste woord
uit het woordenboek: ‘sorry’. Na een stomme fout
of een ordinaire ruzie krijg ik het mijn mond niet uit. De
woorden vormen zich wel in mijn hoofd maar weigeren zich simpelweg
naar buiten te verplaatsen. Mijn fout, ik had ongelijk, sorry,
zal het nooit meer doen, het spijt me. Ver-schrik-ke-lijk.
Als puber maakte ik thuis dagelijks ruzie over, nou ja, alles.
Na afloop liep ik stampend de trap op en gaf mijn slaapkamerdeur
een ferme zwieperd. Vijf minuten later liep ik weer fluitend
naar beneden -- ik zweer je, ik was het hele incident vergeten
-- en deed iedereen weer aardig tegen elkaar. Eigenlijk hoopte
ik dat het in volwassen relaties ook zo werkte, maar nee.
Er moet over Gepraat Worden. Zelfs met een in mijn liefste
kleinemeisjesstemmetje uitgesproken ‘Zijn we weer vriendjes?’
kom ik er niet meer vanaf. Er dient een goed gesprek gevoerd
te worden, aan de keukentafel, met begrijpende gezichten en
verstandige analyses, oprechte excuses, mooie beloften en
een goedmaakzoen. Het zal vast heel verantwoord zijn, maar
ik kan er niet aan wennen.
Om het allemaal nog lastiger te maken blijft M. altijd onuitstaanbaar
redelijk tijdens ruzies en verhitte discussies. Geen woord
dat niet gemeend is ontsnapt aan zijn lippen, zelfs niet in
het heetst van de strijd. Het ergste wat kan gebeuren is een
diep gekwetste blik, een ‘dit heb ik niet verdiend’
of de mededeling dat hij geen zin heeft in moddergooierij
en een blokje om gaat. Om gek van te worden, want daardoor
ga ik natuurlijk nog harder tieren om ten minste een reactie
te ontlokken en moet ik daarna nog dieper door het stof om
mijn welgemeende, diepgevoelde en oprechte excuses aan te
bieden.
Waarom vind ik het zo moeilijk om het S-woord uit te spreken?
Er is niets ergs aan een fout maken op z’n tijd. Geen
vis is zonder graat en geen mens zonder fout. Misschien komt
het omdat ik denk dat de fouten die ik openlijk toegeef extra
meetellen. Ik zie ze al, vet onderstreept en met een uitroepteken,
bijgeschreven worden op mijn conto van Gemaakte Fouten Tijdens
De Relatie. En je weet: een fout kun je doorstrepen, maar
nooit uitgummen. Een oude koe is in no time weer uit de sloot
gehaald en zie ‘m daar maar weer eens in terug te duwen.
Daarom zijn mensen tot alles bereid om zich eruit te draaien.
Een vriend van mij heeft zich onsterfelijk belachelijk gemaakt
door wat we in mijn vriendenkring ‘het boomincident’
noemen. Hij reed zijn nieuwe, peperdure auto bij het inparkeren
tegen een boom, stapte kalm zijn huis binnen en deed of er
niets was gebeurd. De volgende ochtend keerde hij rood aangelopen
en briesend terug aan de ontbijttafel: iemand was tegen zijn
auto gebotst en was doorgereden. ‘Ja,’ zei zijn
vriendin, die het hele gebeuren de vorige avond door het zolderraam
had gezien, zonder op te kijken van de ochtendkrant, ‘dat
zag ik gisteravond. Er kwam zó een boom tegenaan lopen.’
Hij verkleurde van rood naar lijkbleek en liep met gebogen
hoofd de deur uit.
Spirituele eerlijkheid
Laatst zag ik het weer gebeuren.
Ik stond in de rij bij de bioscoop toen een platinablonde
vrouw ongezouten kritiek gaf op de partnerkeuze van haar vriendin.
Ze besloot haar tirade met: ‘Ik ben in ieder geval eerlijk
tegen je’. Ze keek er triomfantelijk bij. Haar kon niets
verweten worden. De vriendin wist even niet hoe ze moest reageren.
Ertegen ingaan of boos worden betekent alleen maar dat er
blijkbaar iets van klopt, en met zwijgen stem je in. Ze opende
haar mond om iets te zeggen, maar de blonde vrouw was haar
voor. ‘Het is geen persoonlijke aanval, hoor, het is
gewoon hoe ik het voel.’ Einde discussie.
Beteuterd bestelde de vrouw twee kaartjes voor de film van
half negen. En ze betaalde ze ook nog allebei. Natuurlijk
zal ze zich tijdens de film opvreten en precies weten wat
ze had moeten zeggen: ‘Zeg, nu we toch zo openhartig
tegen elkaar zijn. Je zou eens een andere kleurspoeling moeten
overwegen, want met dit peroxideblond stoppen de auto’s
achter het Centraal Station voor je. Dat is verder niet persoonlijk
bedoeld, hoor, ik ben gewoon eerlijk.’
Eerlijkheid wordt schandelijk overgewaardeerd. Het toppunt
van persoonlijke groei is eerlijk zijn over alles. Het staat
zo’n beetje boven aan het lijstje van verlichte eigenschappen.
Hoe pijnlijker de opmerking, hoe heldhaftiger de eerlijkheid.
Talkshows zitten vol met mensen die last hebben van oprispingen
van eerlijkheid. Ze beweren, liefst op een groot podium zodat
iedereen ze goed kan zien, de vreselijkste dingen. Als een
man zegt: ‘Ik walg van mijn vrouw als ze me wil knuffelen,
want ik vind haar veel te dik,’ dan prijst de talkshowpresentator
zijn moed en eerlijkheid en krijgt hij een respectvol applaus
van het publiek. Terwijl zijn vrouw ter plekke door de grond
wil zakken om de publieke vernedering wordt hij doodleuk beloond
voor zijn onbeschoftheid.
Overmatig eerlijke mensen hebben zo’n onuitstaanbare
zelfgenoegzaamheid over zich. Zo’n ik-ben-alle-spelletjes-voorbij-houding.
Aardig gevonden willen worden? Dat heb ik gehad. Beleefd zijn?
Passé. Het leuk houden? Alsjeblieft, zeg. Het frappante
van al die verlichte eerlijkheid is dat die altijd betrekking
heeft op anderen en dat het zonder uitzondering negatieve
boodschappen zijn. Of heb jij wel eens iemand horen zeggen:
‘Luister, ik zal het je maar eerlijk vertellen: je ziet
er prachtig uit vanavond’? Nee, toch?
Bij spirituele cursussen en zelfontplooiingworkshops is het
helemaal niet te harden met die eerlijkheid. Alle grenzen
vallen weg en een soort doorgeslagen oprechtheid slaat verwoestend
om zich heen. Mensen die hun spirituele zoektocht zijn begonnen
met vijf assertiviteitstrainingen doen de meest ongenuanceerde
en beledigende uitspraken met een ‘dat zegt mijn gevoel-schuine-streep-intuïtie
gewoon’ en daarmee is de kous af. Discussie gesloten.
Met een superieure glimlach zeggen ze:‘Ik merk dat ik
je al het hele weekend negeer, want je lijkt me nogal oppervlakkig.’
Tuurlijk, gooi het er maar uit! Deel het met de groep! Hou
vooral geen greintje van je boosaardige gedachten achter,
want we kunnen er allemaal van leren.
Ik zit niet te wachten op dat soort ontboezemingen. Schrijf
ze op in je kringlooppapieren schriftje en val mij er niet
mee lastig. Ik vind het onbeschoft en onbeschaafd. Wie heeft
trouwens bedacht dat het altijd goed is om alles uit te spreken?
Wat is er mis met de subtiele tussen-de-regels-door-aanpak,
afstandelijke beleefdheid of iemand die je niet ligt gewoon
lekker uit de weg gaan?
En werp me nu geen medelevende blik toe die zegt: ‘Och
ja, jij wilt nog aardig gevonden worden door iedereen.’
Nee. Ik wil niet aardig gevonden worden; ik wil aardig zijn.
Zelfhulp
‘Dit móet je
lezen,’ roept een vriendin terwijl ze me een stukgelezen
exemplaar van Gelukkig zijn kun je leren in handen drukt,
‘ik heb er zóveel aan gehad!’ Om niet ondankbaar
te lijken, luister ik naar haar relaas over herwonnen eigenwaarde
en teruggevonden zelfliefde. Of ik dan zo miserabel overkom,
wil ik haar vragen, maar ze houdt maar niet op over de geweldige
inzichten van de auteur, die zichzelf uiteraard van een diepe
depressie tot ultiem geluk heeft opgewerkt. ‘Kijk,’
ze priemt met een vinger op de achterflap, ‘zelfs Nastassja
Kinski zegt dat dit boek haar leven veranderd heeft.’
En dus beloof ik het een kans te geven.
Die avond staart het glimlachende hoofd van de schrijver me
vanaf de cover aan. Ik sla het boek open. ‘Waar liefde
is, zijn wonderen’, staat er. ‘Word één
met het universum’, ‘zing het lied van het leven’.
Bijna geef ik me gewonnen als ik me bedenk: wat betékent
dat eigenlijk? Hoe doe je dat – het lied van het leven
zingen?
Ooit was ik zo’n meisje dat je in de trein kon zien
zitten lezen in De weg van het hart of Meester over eigen
denken, gele markeerstift in de aanslag om treffende passages
aan te strepen en heftig knikkend onder het lezen, want het
was allemaal zó waar. Maar wat had ik dertig zelfhulpboeken,
twintig workshops en een seizoen Oprah Shows later geleerd?
Een handjevol bedrieglijk diepzinnige maar eigenlijk heel
vrijblijvende slogans, wat mooi geformuleerde niemendalletjes
en een dozijn affirmaties (zeg iets honderd keer en je gaat
het vanzelf geloven). Toen ik in het huis van een bekende
Chinese romanschrijfster binnenkwam voor een interview en
ik overal gele plakbriefjes met inzichten zag hangen, kwam
ik tot inkeer. Op de koelkast hing een briefje met ‘Ik
sta in mijn kracht’, in de spiegel boven de schoorsteenmantel
stond ‘Leef in het nu’, in het toilet ‘Ik
ben liefde’. Op dat moment wist ik zeker dat zelfhulpwijsheden
mij geen geluk zouden brengen – laat staan verlichting.
Dat soort boeken, workshops en televisieprogramma’s
spelen handig in op onze perfectiedrang: het verlangen om
ons rommelige leven glad te strijken en onze onhebbelijkheden
weg te moffelen. Want als we ons leven op orde hebben en de
scherpe randjes van onze persoonlijkheid afgeschaafd zijn,
zullen we het geluk vinden. Helaas. Van perfectionisme is
nog nooit iemand gelukkig geworden. Je voelt je extra waardeloos
als je even niet helemaal ‘zen’ bent. O jee, een
negatieve gedachte. Oeps, boos uitgevallen tegen iemand. Wat
moet Dr. Phil daar wel niet van denken?
Mooie inzichten en doorleefde wijsheden zijn heus wel te vinden,
maar volgens mij niet in het vijfstappenplan van een gesjeesde
workshopgoeroe. De geheimen van geluk zijn te horen uit de
mond van je grootmoeder, in de relativerende humor van je
bovenbuurman, in de wonderlijke uitspraken van een kind. Voor
mij geen oefeningen en zelftesten meer. Ik loop het gangpad
‘populaire psychologie’ met opgeheven hoofd voorbij.
Als zelfhulpboeken immers écht zouden werken, dan hadden
uitgeverijen een groot probleem. Bovendien bén ik niet
altijd liefde. Soms ben ik verveeld. Boos. Onredelijk. Of
chagrijnig. Dan biedt alleen echte zelfhulp uitkomst: ik koop
een bos bloemen om me op te vrolijken en vergeef mezelf voor
mijn imperfecte leven.
Nu! Nu! Nu!
Ik zou willen dat ik van het
type laat-maar-waaien was. We zien wel hoe het loopt, geen
haast, het leven komt zoals het komt, dat werk. Ik zou --
helemaal zen -- de rust willen hebben om de dingen zich rustig
te laten voltrekken. Of niet. En dan was het blijkbaar niet
de bedoeling. ‘Het heeft niet zo mogen zijn’,
zou ik dan met een berustende glimlach zeggen.
Helaas zit ik niet zo in elkaar. Integendeel zelfs: ik ben
ongeduldig. Op het manische af. Als ik iets heb bedacht, moet
het meteen en zonder verder oponthoud gebeuren. Een idee dringt
zich op, nestelt zich in mijn hoofd, krijgt steeds meer details
en ontwikkelt zich in razend tempo tot een full colour-fantasie
in 3-D waar niet meer aan te ontkomen valt. Het is al bijna
waar -- ik moet het alleen nog even laten gebeuren. En snel
een beetje. Ik beken, ik ben een instant gratification victim.
Engelengeduld bij anderen irriteert me dan ook mateloos. Ik
word kriegelig als mensen voor mijn neus ellenlange sms-berichten
zitten te priegelen, een recept kalm en nauwgezet navolgen
(‘De courgette moet in middelgrote plakjes gesneden
worden – denk je dat het zo goed is?’) of tergend
langzaam een doos waskrijtjes op kleur sorteren. Ik vind het
een ware marteling.
Het is voorgekomen dat ik in de kiosk bladerde door een woontijdschrift,
mijn blik op een foto van een roze wand viel, ik op weg naar
huis de verfwinkel binnenwipte en de hele handel op de muren
kwakte. Toen M. een paar uur later thuiskwam, was de huiskamer
roze. Ik ben een totale sucker voor 2 in 1- producten, dat
zal je ook niet verbazen. Lippenstift en gloss ineen, shampoo
en conditioner ineen, wasmiddel en wasverzachter ineen, doekjes
die vuil niet alleen opnemen, maar ook aantrekken, you name
it en ik heb het in de kast staan. Zo kom je van a naar c
zonder via b te hoeven gaan. Dat scheelt tijd!
Ik mis het gen om rustig af te wachten. Er valt al genoeg
te wachten in het leven, vind ik. Bij de kapper, in de rij
voor de kassa, bij de pinautomaat, totdat je bent ingelogd
op een website, bij de tramhalte, op je vriendinnen die ineens
één voor één naar de wc moeten
als je naar een andere club wil gaan. De afdeling ‘wachten’
is al ruimschoots ingevuld, dus daar ga ik niet nog eens zelf
aan bijdragen. Ergens ‘een nachtje over slapen’
behoort gewoon niet tot de mogelijkheden. Het moet nu! Nu!
Nu! Er dienen zo snel mogelijk spijkers met koppen geslagen
te worden. Soms letterlijk: als ik een schilderijtje op de
rommelmarkt heb gekocht, ram ik direct een spijker in de muur
-- met mijn jas nog aan.
Die uit de hand gelopen doortastendheid van mij pakt niet
altijd even goed uit. Het heeft een hele reeks rampen tot
gevolg gehad. Eerst een zoompje afspelden als ik een oude
rok weer up-to-date wil maken? Welnee, veel te veel gedoe.
Ik zet meteen de schaar erin en eindig natuurlijk met een
veel te kort vodje dat ik weg kan gooien. Om over de gevolgen
van te haastig gelezen gebruiksaanwijzigingen van blondeermiddelen
en textielverf maar te zwijgen. De werkelijkheid in mijn hoofd
kent geen beperkingen en praktische bezwaren. Die buiten mijn
hoofd wel. Reality bites en dat kan knap zeer doen.
Het schijnt dat je meer geduld krijgt naarmate je ouder wordt.
Had ik maar het geduld om daar op te wachten.
Gerelateerde artikelen
|
|