| |
‘Ik ben hoekiger geworden’
Succesauteur doet een boekje over zichzelf open.
Door: Pieter Webeling
Hoeveel verschillende versies bestaan er van Susan Smit?
Ze is het voormalige fotomodel dat zich tien jaar lang voegde
in een wereld van uiterlijkheden. Maar ze is óók
schrijfster van romans — die bestaan bij de gratie
van innerlijke waarheid. Ze is de onafhankelijke journaliste
die met ‘gezond wantrouwen’ de spirituele wereld
onderzocht, om zich uiteindelijk te laten inwijden in de
oudste natuurreligie van Europa. Als heks.
Leef in naam van je dromen, zegt de oude zigeunerin Jeta
in Smit’s debuutroman Elena’s Vlucht. Voor de
schrijfster zou het een levensmotto kunnen zijn. Haar dromen
gaan over verhalen. Ze is recensente van Goedemorgen Nederland
en presenteert voor Het Gesprek het boekenprogramma ‘Uitgelezen’,
maar haar hart ligt bij het schrijven zelf. Smit’s
laatste roman Wat er niet meer is werd door een gerenommeerde
auteur als Arthur Japin geprezen: ‘Een gloedvolle zoektocht
naar erotiek, rouw en zielsverwantschap. Een ode aan de onvergankelijkheid
van de liefde.’
Wie is Susan Smit? Op zoek naar de ziel en zaligheden van
een geletterde en ongrijpbare dame.

Foto: Marcel van Driel
PW: Wat is tot nu toe jouw grootste inzicht in spiritualiteit?
SMIT: Dat je bewust moet leven, nieuwsgierig en passioneel.
Maar als je alleen maar veel beleeft, van de hoogste toppen
tot de diepste dalen, ontwikkel je jezelf niet. Het is
belangrijk dat je ook reflecteert, nadenkt. Het extraverte
en het introverte — beide kanten zijn in mij redelijk
goed verenigd.
PW: Grootste inzicht in de liefde?
SMIT: Voor de liefde is totale overgave nodig. Hoe eng dat
ook is. Dat heb ik nadrukkelijk moeten leren.
PW: Grootste inzicht in de literatuur?
SMIT: Door mijn verbeelding de vrije loop te laten ervaar
ik een ongekende vrijheid. Dat is geluk. Dat is troost. Dat
is verslavend.
PW: Je komt uit een familie van badmannen. Dat spreekt al
meteen tot de verbeelding.
SMIT: Ja. Als ik terugkijk, lijkt het alsof mijn jeugd zich
in eindeloze zomers alleen maar aan zee heeft afgespeeld.
Mijn vader had een strandpaviljoen in Noordwijk. Op een eigen
stukje strand verhuurde hij houten huisjes, windschermen
en stoelen. Hij stond voor hotel Huis ter Duin, waar het
Nederlands elftal vaak kwam. Dan liet mijn vader haring aanrukken — hij
werd op handen gedragen. Hij had een speciale band met Rinus
Michels. Ze hebben allebei dat robuuste, eenvoudige mannen
met gezag. Mijn vader was alleen wat minder stil, vermoed
ik.
Badmannen zijn levensgenieters. Drinken, mooie vrouwen, het
buitenleven: het is een bepaald slag. Mijn vader was één
met de natuur. Hij kon het weer voorspellen aan de hand van
de kleur van de zee of de vlucht van vogels. In de grote
stad is hij een verdwaald klein jongetje, maar op het strand
is hij in zijn element. Niet streetwise, maar sea wise. Mijn
moeder — kapster, keurig meisje uit Leiden — paste
niet zo goed in die cultuur. Ze is te fijnbesnaard, te aardig.
Toch ben ik in de eerste jaren opgegroeid in een harmonieus
gezin.
PW: Wat was je voor kind?
SMIT: Springerig, dromerig, naïef. En populair — ik
had altijd wel vriendinnetjes. Ik had het idee: de wereld
ligt aan mijn voeten, alles is mogelijk. Vrij. Vrij. Ik verrijkte
mijn wereld ook door veel te lezen. Stapels boeken nam ik
mee van de bibliotheek, variërend van Thea Beckman tot
Roald Dahl. Verhalen, avonturen, andere mensen, andere landen — ik
vond het prachtig. Ik ging totaal op in de boeken van Rien
Poortvliet. Geen sprake van dat die kabouters niet zouden
bestaan!
PW: Je zag dingen die anderen niet zagen.
SMIT: Ik praat daar niet graag over. Het klinkt al gauw aanstellerig.
Het was ook niet altijd leuk — stond er in de hoek
van mijn kamer opeens een man. Die keek naar mij. Observerend.
Ik was niet bang, maar ik wilde wel het licht aanhouden,
dan had ik het idee dat hij zich minder prettig voelde.
Ik zag hem met een innerlijk oog. Zulke verschijningen
heb ik later ook wel echt gezien. Gek genoeg met mijn lenzen
uit. Ik heb min acht ofzo, ik ben een mol, maar ik kon
ze haarscherp zien.
Er bestaat een andere werkelijkheid. Niet tastbaar, niet
verklaarbaar, maar wel voelbaar. Mijn opa is bij me. Hij
overleed voor mijn geboorte, maar ik kreeg altijd een brok
in mijn keel als mijn moeder met liefde over hem sprak. Ik
dacht dan: ik heb toch geen recht op verdriet? Maar ook al
heb ik mijn opa nooit gezien, gehoord of geroken — ik
ken hem, alsof hij een romanpersonage is. Ik lijk ook op ‘m.
Hij werkte in een drukkerij en had dezelfde liefde voor het
woord. Hij heeft mij vaak behoed voor ongelukken. Ik lag
op het strand en voelde een duwtje in mijn rug: ik moest
overeind. Een seconde later klapte de houten parasol naar
beneden. Die had anders recht op mijn gezicht gekomen. Zo
kan ik nog wel tien voorvallen noemen.
PW: Je groeide op in een ‘harmonieus gezin’.
Later werd de sfeer onveiliger. Grimmiger.
SMIT: Mijn vader dronk. Dat zorgde voor een hoop trammelant.
Als hij ’s avonds thuiskwam, kon ik aan de wijze waarop
hij over het tuinpad liep al zien hoe de avond zou verlopen.
Meestal was hij depressief, boos op de wereld. Op het strand
was hij de vrolijke levensgenieter, thuis kon hij zwaar op
de hand en depressief zijn. Ik zie nog hoe mijn moeder, mijn
broer en ik aan tafel zaten te wachten. Op pa. In spanning.
Wachten met eten, daar heb ik nog steeds een vreselijke hekel
aan.
PW: Als puber schreef je ook dagboeken. Dozen vol.
SMIT: Ja, genoeg drama! Dat ging vooral over de liefde, hoor.
Over jongens die mij als vraagtekens omringden. Ik schreef
ook korte verhalen, gedichten — zo slecht en pathetisch
dat ze nooit gevonden mogen worden. Maar ik ging toen al
een stapje van de werkelijkheid staan. Het schrijven kwam
voort uit een verlangen om het leven inzichtelijker te
maken. Al die grillige gedachten en gevoelens en belevenissen
in mijn puberteit kon ik zodanig ordenen dat het leven
wél begreep. Ik wilde schrijver worden.
PW: Maar je werd model. Op je zestiende werd je op het Noordwijkse
strand opgepikt door twee modefotografen.
SMIT: Die wilden m’n moeder spreken, ja. Ik schreef
me in bij een modellenbureau en kreeg opdrachten. Daar kon
ik mijn eerste stereotoren voor kopen. Al gauw woonde ik
in Parijs. Gingen we met een paar meiden naar nachtclubs
die hot waren — veel champagne drinken en gezien worden
in het circuitje van ontwerpers en fotografen. Ik had zelfs
m’n eigen bodyguard. Die bleef bij de deur staan als
ik ging plassen. Vreselijk.
Ik was geen topmodel, hoor. Bij lange na niet. Maar het was
wel glamoureus om ‘s nachts in het sprookjesachtige
Parijs fotoshoots te doen in glimmende avondjurken, zoals
bij de Arc Triomphe en de Sacré Coeur, met een witte
limousine op de achtergrond. Maar het gaf geen voldoening.
Het doorkruiste eigenlijk mijn plan. Ik wilde studeren. Nederlandse
letterkunde. Uiteindelijk heb ik dat ook gedaan.
PW: Na die studie werd je verslaggever met een bijzondere
interesse voor spiritualiteit. ‘Kritisch maar welwillend’ onderzocht
je gebedsgenezers, handlezers, regressietherapeuten en chakrahealers.
Wat was de wonderlijkste ervaring?
SMIT: Reiki. Twee handopleggers gaven energie door, een soort
goddelijk licht. Daar kun je lacherig over doen, maar het
voelde alsof ik als een telefoon in de oplader lag. Ik had
energie voor tien! Ik kan het niet verklaren, maar Hippocrates
zei al: ‘Wie geneest, heeft gelijk.’ Kijk, het
lichaam is het voertuig van de ziel. Maar in het christendom
is het lichaam zondig. Ik vind dat we terugmoeten naar de
spirituele waarheid van het fysieke.
PW: Dat element vond je bij de oudste natuurreligie van
Europa.
SMIT: Ja. Het lichaam heeft de waarde van een boom: wortels
in de grond, takken naar de hemel. Seksualiteit is een natuurlijke
drift die je niet hoeft te ontstijgen. Mijn religie gaat
ook over een goddelijke vonk in alles wat leeft: planten,
dieren en mensen. Met als ethische code: doe wat je wilt,
mits het niets of niemand schaadt. Het is vredelievend, heel
mooi. Majoor Bosshardt zei eens tegen me: ‘Nou, als
dat alles is, ben ik ook een heks.’
PW: Hekserij is een beladen term. Vergiftigd, zeg je zelf.
Wat is het grootste misverstand?
SMIT: Dat een heks iets te maken heeft met het duivelse,
het duistere. Dat is een uitvinding van het christendom:
heksen zijn letterlijk gedemoniseerd — omwille van
concurrentie. Het is een ervaringsreligie, geen theologische
godsdienst met een boek en profeten die macht willen uitoefenen.
Als heks kun je je aansluiten bij covens, heksenkringen,
of meedoen aan jaarfeesten. Ik beleef het vooral solitair.
Ik leef met de seizoenen, de energieën in de natuur,
de cycli van de maan.
Ik heb wel de nodige dreigbrieven en hatemails gehad. Bij
een lezing van mij aan een katholieke school was er een bommelding.
Zulke reacties zijn eigenlijk heel vreemd, zeker als je bedenkt
dat wij tegenwoordig de neiging hebben oude natuurreligies
te zien als voedend, positief, wijs en verheven. Denk aan
de Masai in Afrika, de Indianen in Amerika, de aboriginals
in Australië. De heksen in Europa dragen dezelfde principes.
Wat is daar dan mis mee?
PW: Met het boek Heks (2001) kwam je naar eigen zeggen uit
de bezemkast. Tegelijkertijd was de schrijver Susan Smit
geboren.
SMIT: Mooi hè. De ontvangst van het eerste exemplaar
herinner ik me nog heel goed. In ‘De Waag’ op
de Nieuwmarkt zakte een kroonluchter met brandende kaarsen
om mij heen. Aan een lintje zat mijn boek vast. Magisch moment.
Nu zal mijn leven nooit meer hetzelfde zijn. Dat dacht ik
echt! Eenzelfde soort gevoel had ik bij fictie, mijn eerste
roman. Kijk, een boek met verzamelde columns lijkt heel persoonlijk.
Maar een roman is vele malen intiemer en kwetsbaarder, omdat
het ontsproten is aan mijn fantasie. Die gedachten en gevoelens
gaan veel dieper. Non-fictie is een aftreksel van de werkelijkheid,
fictie ís mijn werkelijkheid. Het verbaast me dat
ik dat durf.
PW: Waaraan moet een goede roman voldoen?
SMIT: Een literair verhaal moet verrassen of verwonderen,
nieuwe werelden openbaren, grenzen verleggen in het denken.
Boeken die leunen op de herkenning vind ik per definitie
niet interessant. Een roman moet het ongebruikelijke en
het afwijkende benoemen. De stijl moet scherp en zuiver
zijn, raak, origineel, met een zekere bravoure. In tegenstelling
tot andere kunstvormen kun je als schrijver in andermans
hoofd gaan zitten. Dat geeft geweldige mogelijkheden in
het verkennen van de menselijke natuur.
PW: ‘Fictie maakt mij het gelukkigst,’ zei je
ooit. Het is een worsteling van veel schrijvers: geef ik
mij over aan de verbeelding, of telt het echte leven toch
zwaarder? Tot in hoeverre leef jij in de fantasie?
SMIT: Tja. Zoals ik net aangaf: als kind verdween ik al in
boeken. Mijn moeder moest ’s avonds het lichtje boven
mijn bed uitdoen. Ik vereenzelvigde me met de hoofdpersoon — ik
wilde niets liever dan verder lezen. Dat heb ik nog steeds.
De wereld van mijn roman kan echter aanvoelen dan de gewone
werkelijkheid. Soms zweef ik nog na. Mijn vriendje ziet dat.
Hij trekt me meteen naar het hier en nu.
PW: In jouw laatste roman Wat er niet meer is verweef je
een aantal grote thema’s met elkaar: liefde, kunst
en dood. De hoofdpersoon Thomas, librettist, vertelt een
mystiek liefdesverhaal. Tijdens een ontluikende romance overlijdt
de vrouw vroegtijdig, maar dat betekent niet het einde van
de liefde. Mooi gegeven.
SMIT: Vond ik ook. Liefde is sterker dan de dood. Ik geloof
dat we via de ziel verbonden blijven met elkaar — dat
gaat voorbij het stoffelijke. In mijn boek zit zelfs nog
een erotische scène. Ik wilde het mystieke en het
seksuele met elkaar verbinden, juist omdat dat in het westen
taboe is. In mijn eerste roman, Elena’s Vlucht, had
ik de wens een roman met een grote R te schrijven. Wat er
niet meer is schreef ik meer met mijn hart. Onbevangen. Ik
móest dit verhaal kwijt.
PW: Verbinding is een leidend thema in die tweede roman. Hoe ver durf je te
gaan in de liefde? Dat schampt aan jouw eigen fascinatie. Hoe heb je jezelf
leren kennen in relaties?
SMIT: Ik ben altijd een angsthaasje geweest. Sinds een paar jaar heb ik mij
gerealiseerd dat het beeld van mijn vader sterk van invloed is geweest op mijn
keuze voor mannen. Losbollige types, daar bleef ik verre van. Ik koos voor
veiligheid en stabiliteit. Ik werd verliefd op een jongen die mijn beste vriend
was. Hij bleek al veel eerder voor mij te zijn gevallen, maar dat had ik niet
door. Ik ben erg naïef in de liefde, geloof ik. Maar ook serieus.

Foto: Marcel van Driel
PW: Wat moet een man voor jou hebben?
SMIT: Een scherpe geest. Ik hou van tegendraads, eigenzinnig,
ongepolijst, onaangepast. Een seksistische grap mag best — ook
al ben ik vrij makkelijk te choqueren. Mannen moeten vooral
niet te ‘charmant’ zijn. Dat ze doen wat zij
denken dat jij wilt dat ze doen. Dat ze zeggen wat zij
denken dat jij wilt dat ze zeggen. Begrijp je? Nobel vind
ik een mooi woord voor mannen. Het heeft te maken met een
zekere rechtlijnigheid, het goede verkiezen boven het foute,
vol vuur stelling nemen. Met mijn vorige vriend was ik
het lang niet altijd eens. Maar toch: onze relatie was
harmonieus. Te harmonieus.
PW: ‘Ik keek naar hem, zag hoe hij de kamer uitliep
en wist: het is voorbij.’
SMIT: Dat heb ik zo ervaren, ja. Ik bevond me in een soort
niemandsland van verleden, heden en toekomst, alles was al
gedrenkt in sepiakleuren. Elf jaar lang hadden we een relatie
gehad! Ik voelde me beroofd en bedonderd door m’n eigen
hart, want ik híeld nog hem. Ik begreep niets van
mezelf.
PW: Na de breuk volgde een ‘staat van tijdelijke waanzin’,
een ‘donkere tijd van uitgaan, drank en eenzaamheid’.
Een rafelrand. Verlies van controle. Voor het eerst.
SMIT: Het was wel eens goed voor me. Even los slaan, op de
afgrond balanceren, weten dat je leeft. Kijk, ik ben een
mens van weinig angsten. Ik probeer moedig te leven: als
ik echt iets wil, zet ik me ervoor in. Maar in de liefde
heb ik mijn angst nooit zo kunnen bedwingen. Tot het afscheid
van mijn vorige vriend. Ik voelde me in het uitgaansleven
net een uitgestorven diersoort. Ik had niets met het gladde
versieren. Ik heb een paar avontuurtjes gehad, maar betekenisloze
seks is niets voor mij. Daar werd ik alleen maar treurig
van.
Vijf maanden heeft die periode geduurd — toen ontmoette
ik Floris. Gewoon, in de kroeg. Hij kwam brutaal bij me staan.
Voordat we het wisten waren we in gesprek over quantumfysica
en Van Kooten en De Bie. Hij is piloot. Wat een leuke man,
dacht ik onmiddellijk. Hij wilde die avond mijn telefoonnummer.
Dat geef ik nooit. Toen wel. Mijn nichtenvriendje was stomverbaasd:
Suus, wat doe je nou? Voor iemand als Floris had ik vroeger
nooit durven kiezen. Hij is emotioneel, sensitief, grillig.
Hij eist volledig contact, volledige intimiteit. En soms
heeft hij donkere buien. Himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt.
PW: Die laatste eigenschap vertoont veel gelijkenis met
jouw vader.
SMIT: Ja, maar het gaat er juist om dat ik me in mijn keuze
niet langer door hem wil laten beïnvloeden. In die vrijheid
is alles mogelijk, ook overeenkomsten. En ach, te veel harmonie
is saai. Mensen die zeggen dat ze het altijd met elkaar eens
zijn, hoor je nooit klagen. Nee, omdat ze in slaap zijn gevallen.
Floris en ik wonen sinds kort samen. In een mooi, oud huis
in Amsterdam-Zuid. Een liefdesnest. Ik heb je gevonden — dat
denk ik vaak, als ik naar hem kijk.
PW: Zie je je vader nog wel?
SMIT: Ja hoor. Ik heb hem bij vlagen verfoeid, maar nu accepteer
ik hem zoals hij is. Mijn ouders zijn inmiddels gescheiden.
In mijn puberteit, maar ook nu nog, heb ik altijd op de
onvoorwaardelijke steun en liefde van mijn moeder kunnen
rekenen. Ik kan alles met haar bespreken. En mijn vader… die
is best trots op me.
PW: Wat is al met al de belangrijkste ontwikkeling in denken
of voelen die je de afgelopen jaren hebt doorgemaakt?
SMIT: Ik ben steeds meer de persoon geworden die ik werkelijk
ben. In het verleden heb ik dingen te makkelijk laten gebeuren,
of zelfs laten opdringen. Dan denk ik aan carnaval vieren
en modellenwerk tot een al te starre navolging van ‘romanwetten’.
Ik heb mij ontworsteld aan een typische vrouwenkwaal: disease
to please. Ik hoef niet meer per se aardig gevonden te worden.
Ik richt mij nu heel bewust op dingen waar ik een goed gevoel
van krijg: schoonheid, literatuur, liefde, vriendschap. Zelftrouw
is voor mij het allerbelangrijkste. Die term moet je niet
verwarren met egoïsme of narcisme. Pas als je jezelf
volledig ontplooit, ben je van de grootste betekenis voor
anderen.
PW: Is dat ook een verrijking voor de schrijfster Susan
Smit?
SMIT: Ja. Ik durf meer. Ik ben ronder én hoekiger.
Misschien ben ik voor anderen in mijn persoonlijke leven
nu nog minder goed te volgen, maar voor mezelf is de lijn
helder. Ik heb meer kleuren op het palet, meer schakeringen.
Dat is pure winst — voor alle Susannen in mij.
|
|