© Nico Kroon
  Biografie
  Bibliografie
  Susan in de media
  Lezingen

Home - Auteur - Susan in de media - Letterhonger: Interview Reader's Digest       

 


‘Ik ben hoekiger geworden’
Succesauteur doet een boekje over zichzelf open.
Door: Pieter Webeling

Hoeveel verschillende versies bestaan er van Susan Smit? Ze is het voormalige fotomodel dat zich tien jaar lang voegde in een wereld van uiterlijkheden. Maar ze is óók schrijfster van romans — die bestaan bij de gratie van innerlijke waarheid. Ze is de onafhankelijke journaliste die met ‘gezond wantrouwen’ de spirituele wereld onderzocht, om zich uiteindelijk te laten inwijden in de oudste natuurreligie van Europa. Als heks.
Leef in naam van je dromen, zegt de oude zigeunerin Jeta in Smit’s debuutroman Elena’s Vlucht. Voor de schrijfster zou het een levensmotto kunnen zijn. Haar dromen gaan over verhalen. Ze is recensente van Goedemorgen Nederland en presenteert voor Het Gesprek het boekenprogramma ‘Uitgelezen’, maar haar hart ligt bij het schrijven zelf. Smit’s laatste roman Wat er niet meer is werd door een gerenommeerde auteur als Arthur Japin geprezen: ‘Een gloedvolle zoektocht naar erotiek, rouw en zielsverwantschap. Een ode aan de onvergankelijkheid van de liefde.’
Wie is Susan Smit? Op zoek naar de ziel en zaligheden van een geletterde en ongrijpbare dame.


Foto: Marcel van Driel

PW: Wat is tot nu toe jouw grootste inzicht in spiritualiteit?
SMIT: Dat je bewust moet leven, nieuwsgierig en passioneel. Maar als je alleen maar veel beleeft, van de hoogste toppen tot de diepste dalen, ontwikkel je jezelf niet. Het is belangrijk dat je ook reflecteert, nadenkt. Het extraverte en het introverte — beide kanten zijn in mij redelijk goed verenigd.

PW: Grootste inzicht in de liefde?
SMIT: Voor de liefde is totale overgave nodig. Hoe eng dat ook is. Dat heb ik nadrukkelijk moeten leren.

PW: Grootste inzicht in de literatuur?
SMIT: Door mijn verbeelding de vrije loop te laten ervaar ik een ongekende vrijheid. Dat is geluk. Dat is troost. Dat is verslavend.

PW: Je komt uit een familie van badmannen. Dat spreekt al meteen tot de verbeelding.
SMIT: Ja. Als ik terugkijk, lijkt het alsof mijn jeugd zich in eindeloze zomers alleen maar aan zee heeft afgespeeld. Mijn vader had een strandpaviljoen in Noordwijk. Op een eigen stukje strand verhuurde hij houten huisjes, windschermen en stoelen. Hij stond voor hotel Huis ter Duin, waar het Nederlands elftal vaak kwam. Dan liet mijn vader haring aanrukken — hij werd op handen gedragen. Hij had een speciale band met Rinus Michels. Ze hebben allebei dat robuuste, eenvoudige mannen met gezag. Mijn vader was alleen wat minder stil, vermoed ik.
Badmannen zijn levensgenieters. Drinken, mooie vrouwen, het buitenleven: het is een bepaald slag. Mijn vader was één met de natuur. Hij kon het weer voorspellen aan de hand van de kleur van de zee of de vlucht van vogels. In de grote stad is hij een verdwaald klein jongetje, maar op het strand is hij in zijn element. Niet streetwise, maar sea wise. Mijn moeder — kapster, keurig meisje uit Leiden — paste niet zo goed in die cultuur. Ze is te fijnbesnaard, te aardig. Toch ben ik in de eerste jaren opgegroeid in een harmonieus gezin.

PW: Wat was je voor kind?
SMIT: Springerig, dromerig, naïef. En populair — ik had altijd wel vriendinnetjes. Ik had het idee: de wereld ligt aan mijn voeten, alles is mogelijk. Vrij. Vrij. Ik verrijkte mijn wereld ook door veel te lezen. Stapels boeken nam ik mee van de bibliotheek, variërend van Thea Beckman tot Roald Dahl. Verhalen, avonturen, andere mensen, andere landen — ik vond het prachtig. Ik ging totaal op in de boeken van Rien Poortvliet. Geen sprake van dat die kabouters niet zouden bestaan!

PW: Je zag dingen die anderen niet zagen.
SMIT: Ik praat daar niet graag over. Het klinkt al gauw aanstellerig. Het was ook niet altijd leuk — stond er in de hoek van mijn kamer opeens een man. Die keek naar mij. Observerend. Ik was niet bang, maar ik wilde wel het licht aanhouden, dan had ik het idee dat hij zich minder prettig voelde. Ik zag hem met een innerlijk oog. Zulke verschijningen heb ik later ook wel echt gezien. Gek genoeg met mijn lenzen uit. Ik heb min acht ofzo, ik ben een mol, maar ik kon ze haarscherp zien.
Er bestaat een andere werkelijkheid. Niet tastbaar, niet verklaarbaar, maar wel voelbaar. Mijn opa is bij me. Hij overleed voor mijn geboorte, maar ik kreeg altijd een brok in mijn keel als mijn moeder met liefde over hem sprak. Ik dacht dan: ik heb toch geen recht op verdriet? Maar ook al heb ik mijn opa nooit gezien, gehoord of geroken — ik ken hem, alsof hij een romanpersonage is. Ik lijk ook op ‘m. Hij werkte in een drukkerij en had dezelfde liefde voor het woord. Hij heeft mij vaak behoed voor ongelukken. Ik lag op het strand en voelde een duwtje in mijn rug: ik moest overeind. Een seconde later klapte de houten parasol naar beneden. Die had anders recht op mijn gezicht gekomen. Zo kan ik nog wel tien voorvallen noemen.

PW: Je groeide op in een ‘harmonieus gezin’. Later werd de sfeer onveiliger. Grimmiger.
SMIT: Mijn vader dronk. Dat zorgde voor een hoop trammelant. Als hij ’s avonds thuiskwam, kon ik aan de wijze waarop hij over het tuinpad liep al zien hoe de avond zou verlopen. Meestal was hij depressief, boos op de wereld. Op het strand was hij de vrolijke levensgenieter, thuis kon hij zwaar op de hand en depressief zijn. Ik zie nog hoe mijn moeder, mijn broer en ik aan tafel zaten te wachten. Op pa. In spanning. Wachten met eten, daar heb ik nog steeds een vreselijke hekel aan.

PW: Als puber schreef je ook dagboeken. Dozen vol.
SMIT: Ja, genoeg drama! Dat ging vooral over de liefde, hoor. Over jongens die mij als vraagtekens omringden. Ik schreef ook korte verhalen, gedichten — zo slecht en pathetisch dat ze nooit gevonden mogen worden. Maar ik ging toen al een stapje van de werkelijkheid staan. Het schrijven kwam voort uit een verlangen om het leven inzichtelijker te maken. Al die grillige gedachten en gevoelens en belevenissen in mijn puberteit kon ik zodanig ordenen dat het leven wél begreep. Ik wilde schrijver worden.

PW: Maar je werd model. Op je zestiende werd je op het Noordwijkse strand opgepikt door twee modefotografen.
SMIT: Die wilden m’n moeder spreken, ja. Ik schreef me in bij een modellenbureau en kreeg opdrachten. Daar kon ik mijn eerste stereotoren voor kopen. Al gauw woonde ik in Parijs. Gingen we met een paar meiden naar nachtclubs die hot waren — veel champagne drinken en gezien worden in het circuitje van ontwerpers en fotografen. Ik had zelfs m’n eigen bodyguard. Die bleef bij de deur staan als ik ging plassen. Vreselijk.
Ik was geen topmodel, hoor. Bij lange na niet. Maar het was wel glamoureus om ‘s nachts in het sprookjesachtige Parijs fotoshoots te doen in glimmende avondjurken, zoals bij de Arc Triomphe en de Sacré Coeur, met een witte limousine op de achtergrond. Maar het gaf geen voldoening. Het doorkruiste eigenlijk mijn plan. Ik wilde studeren. Nederlandse letterkunde. Uiteindelijk heb ik dat ook gedaan.

PW: Na die studie werd je verslaggever met een bijzondere interesse voor spiritualiteit. ‘Kritisch maar welwillend’ onderzocht je gebedsgenezers, handlezers, regressietherapeuten en chakrahealers. Wat was de wonderlijkste ervaring?
SMIT: Reiki. Twee handopleggers gaven energie door, een soort goddelijk licht. Daar kun je lacherig over doen, maar het voelde alsof ik als een telefoon in de oplader lag. Ik had energie voor tien! Ik kan het niet verklaren, maar Hippocrates zei al: ‘Wie geneest, heeft gelijk.’ Kijk, het lichaam is het voertuig van de ziel. Maar in het christendom is het lichaam zondig. Ik vind dat we terugmoeten naar de spirituele waarheid van het fysieke.

PW: Dat element vond je bij de oudste natuurreligie van Europa.
SMIT: Ja. Het lichaam heeft de waarde van een boom: wortels in de grond, takken naar de hemel. Seksualiteit is een natuurlijke drift die je niet hoeft te ontstijgen. Mijn religie gaat ook over een goddelijke vonk in alles wat leeft: planten, dieren en mensen. Met als ethische code: doe wat je wilt, mits het niets of niemand schaadt. Het is vredelievend, heel mooi. Majoor Bosshardt zei eens tegen me: ‘Nou, als dat alles is, ben ik ook een heks.’

PW: Hekserij is een beladen term. Vergiftigd, zeg je zelf. Wat is het grootste misverstand?
SMIT: Dat een heks iets te maken heeft met het duivelse, het duistere. Dat is een uitvinding van het christendom: heksen zijn letterlijk gedemoniseerd — omwille van concurrentie. Het is een ervaringsreligie, geen theologische godsdienst met een boek en profeten die macht willen uitoefenen. Als heks kun je je aansluiten bij covens, heksenkringen, of meedoen aan jaarfeesten. Ik beleef het vooral solitair. Ik leef met de seizoenen, de energieën in de natuur, de cycli van de maan.
Ik heb wel de nodige dreigbrieven en hatemails gehad. Bij een lezing van mij aan een katholieke school was er een bommelding. Zulke reacties zijn eigenlijk heel vreemd, zeker als je bedenkt dat wij tegenwoordig de neiging hebben oude natuurreligies te zien als voedend, positief, wijs en verheven. Denk aan de Masai in Afrika, de Indianen in Amerika, de aboriginals in Australië. De heksen in Europa dragen dezelfde principes. Wat is daar dan mis mee?

PW: Met het boek Heks (2001) kwam je naar eigen zeggen uit de bezemkast. Tegelijkertijd was de schrijver Susan Smit geboren.
SMIT: Mooi hè. De ontvangst van het eerste exemplaar herinner ik me nog heel goed. In ‘De Waag’ op de Nieuwmarkt zakte een kroonluchter met brandende kaarsen om mij heen. Aan een lintje zat mijn boek vast. Magisch moment. Nu zal mijn leven nooit meer hetzelfde zijn. Dat dacht ik echt! Eenzelfde soort gevoel had ik bij fictie, mijn eerste roman. Kijk, een boek met verzamelde columns lijkt heel persoonlijk. Maar een roman is vele malen intiemer en kwetsbaarder, omdat het ontsproten is aan mijn fantasie. Die gedachten en gevoelens gaan veel dieper. Non-fictie is een aftreksel van de werkelijkheid, fictie ís mijn werkelijkheid. Het verbaast me dat ik dat durf.

PW: Waaraan moet een goede roman voldoen?
SMIT: Een literair verhaal moet verrassen of verwonderen, nieuwe werelden openbaren, grenzen verleggen in het denken. Boeken die leunen op de herkenning vind ik per definitie niet interessant. Een roman moet het ongebruikelijke en het afwijkende benoemen. De stijl moet scherp en zuiver zijn, raak, origineel, met een zekere bravoure. In tegenstelling tot andere kunstvormen kun je als schrijver in andermans hoofd gaan zitten. Dat geeft geweldige mogelijkheden in het verkennen van de menselijke natuur.

PW: ‘Fictie maakt mij het gelukkigst,’ zei je ooit. Het is een worsteling van veel schrijvers: geef ik mij over aan de verbeelding, of telt het echte leven toch zwaarder? Tot in hoeverre leef jij in de fantasie?
SMIT: Tja. Zoals ik net aangaf: als kind verdween ik al in boeken. Mijn moeder moest ’s avonds het lichtje boven mijn bed uitdoen. Ik vereenzelvigde me met de hoofdpersoon — ik wilde niets liever dan verder lezen. Dat heb ik nog steeds. De wereld van mijn roman kan echter aanvoelen dan de gewone werkelijkheid. Soms zweef ik nog na. Mijn vriendje ziet dat. Hij trekt me meteen naar het hier en nu.

PW: In jouw laatste roman Wat er niet meer is verweef je een aantal grote thema’s met elkaar: liefde, kunst en dood. De hoofdpersoon Thomas, librettist, vertelt een mystiek liefdesverhaal. Tijdens een ontluikende romance overlijdt de vrouw vroegtijdig, maar dat betekent niet het einde van de liefde. Mooi gegeven.
SMIT: Vond ik ook. Liefde is sterker dan de dood. Ik geloof dat we via de ziel verbonden blijven met elkaar — dat gaat voorbij het stoffelijke. In mijn boek zit zelfs nog een erotische scène. Ik wilde het mystieke en het seksuele met elkaar verbinden, juist omdat dat in het westen taboe is. In mijn eerste roman, Elena’s Vlucht, had ik de wens een roman met een grote R te schrijven. Wat er niet meer is schreef ik meer met mijn hart. Onbevangen. Ik móest dit verhaal kwijt.

PW: Verbinding is een leidend thema in die tweede roman. Hoe ver durf je te gaan in de liefde? Dat schampt aan jouw eigen fascinatie. Hoe heb je jezelf leren kennen in relaties?
SMIT: Ik ben altijd een angsthaasje geweest. Sinds een paar jaar heb ik mij gerealiseerd dat het beeld van mijn vader sterk van invloed is geweest op mijn keuze voor mannen. Losbollige types, daar bleef ik verre van. Ik koos voor veiligheid en stabiliteit. Ik werd verliefd op een jongen die mijn beste vriend was. Hij bleek al veel eerder voor mij te zijn gevallen, maar dat had ik niet door. Ik ben erg naïef in de liefde, geloof ik. Maar ook serieus.



Foto: Marcel van Driel

PW: Wat moet een man voor jou hebben?
SMIT: Een scherpe geest. Ik hou van tegendraads, eigenzinnig, ongepolijst, onaangepast. Een seksistische grap mag best — ook al ben ik vrij makkelijk te choqueren. Mannen moeten vooral niet te ‘charmant’ zijn. Dat ze doen wat zij denken dat jij wilt dat ze doen. Dat ze zeggen wat zij denken dat jij wilt dat ze zeggen. Begrijp je? Nobel vind ik een mooi woord voor mannen. Het heeft te maken met een zekere rechtlijnigheid, het goede verkiezen boven het foute, vol vuur stelling nemen. Met mijn vorige vriend was ik het lang niet altijd eens. Maar toch: onze relatie was harmonieus. Te harmonieus.

PW: ‘Ik keek naar hem, zag hoe hij de kamer uitliep en wist: het is voorbij.’
SMIT: Dat heb ik zo ervaren, ja. Ik bevond me in een soort niemandsland van verleden, heden en toekomst, alles was al gedrenkt in sepiakleuren. Elf jaar lang hadden we een relatie gehad! Ik voelde me beroofd en bedonderd door m’n eigen hart, want ik híeld nog hem. Ik begreep niets van mezelf.

PW: Na de breuk volgde een ‘staat van tijdelijke waanzin’, een ‘donkere tijd van uitgaan, drank en eenzaamheid’. Een rafelrand. Verlies van controle. Voor het eerst.
SMIT: Het was wel eens goed voor me. Even los slaan, op de afgrond balanceren, weten dat je leeft. Kijk, ik ben een mens van weinig angsten. Ik probeer moedig te leven: als ik echt iets wil, zet ik me ervoor in. Maar in de liefde heb ik mijn angst nooit zo kunnen bedwingen. Tot het afscheid van mijn vorige vriend. Ik voelde me in het uitgaansleven net een uitgestorven diersoort. Ik had niets met het gladde versieren. Ik heb een paar avontuurtjes gehad, maar betekenisloze seks is niets voor mij. Daar werd ik alleen maar treurig van.
Vijf maanden heeft die periode geduurd — toen ontmoette ik Floris. Gewoon, in de kroeg. Hij kwam brutaal bij me staan. Voordat we het wisten waren we in gesprek over quantumfysica en Van Kooten en De Bie. Hij is piloot. Wat een leuke man, dacht ik onmiddellijk. Hij wilde die avond mijn telefoonnummer. Dat geef ik nooit. Toen wel. Mijn nichtenvriendje was stomverbaasd: Suus, wat doe je nou? Voor iemand als Floris had ik vroeger nooit durven kiezen. Hij is emotioneel, sensitief, grillig. Hij eist volledig contact, volledige intimiteit. En soms heeft hij donkere buien. Himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt.

PW: Die laatste eigenschap vertoont veel gelijkenis met jouw vader.
SMIT: Ja, maar het gaat er juist om dat ik me in mijn keuze niet langer door hem wil laten beïnvloeden. In die vrijheid is alles mogelijk, ook overeenkomsten. En ach, te veel harmonie is saai. Mensen die zeggen dat ze het altijd met elkaar eens zijn, hoor je nooit klagen. Nee, omdat ze in slaap zijn gevallen. Floris en ik wonen sinds kort samen. In een mooi, oud huis in Amsterdam-Zuid. Een liefdesnest. Ik heb je gevonden — dat denk ik vaak, als ik naar hem kijk.

PW: Zie je je vader nog wel?
SMIT: Ja hoor. Ik heb hem bij vlagen verfoeid, maar nu accepteer ik hem zoals hij is. Mijn ouders zijn inmiddels gescheiden. In mijn puberteit, maar ook nu nog, heb ik altijd op de onvoorwaardelijke steun en liefde van mijn moeder kunnen rekenen. Ik kan alles met haar bespreken. En mijn vader… die is best trots op me.

PW: Wat is al met al de belangrijkste ontwikkeling in denken of voelen die je de afgelopen jaren hebt doorgemaakt?
SMIT: Ik ben steeds meer de persoon geworden die ik werkelijk ben. In het verleden heb ik dingen te makkelijk laten gebeuren, of zelfs laten opdringen. Dan denk ik aan carnaval vieren en modellenwerk tot een al te starre navolging van ‘romanwetten’. Ik heb mij ontworsteld aan een typische vrouwenkwaal: disease to please. Ik hoef niet meer per se aardig gevonden te worden. Ik richt mij nu heel bewust op dingen waar ik een goed gevoel van krijg: schoonheid, literatuur, liefde, vriendschap. Zelftrouw is voor mij het allerbelangrijkste. Die term moet je niet verwarren met egoïsme of narcisme. Pas als je jezelf volledig ontplooit, ben je van de grootste betekenis voor anderen.

PW: Is dat ook een verrijking voor de schrijfster Susan Smit?
SMIT: Ja. Ik durf meer. Ik ben ronder én hoekiger. Misschien ben ik voor anderen in mijn persoonlijke leven nu nog minder goed te volgen, maar voor mezelf is de lijn helder. Ik heb meer kleuren op het palet, meer schakeringen. Dat is pure winst — voor alle Susannen in mij.

 

 

 


Terug naar top                                                                              Terug naar overzicht

Alle teksten op deze site © Susan Smit, tenzij anders vermeld. / Webdesign: Xntriq.nl