© Nico Kroon
  Biografie
  Bibliografie
  Susan in de media
  Lezingen

Home - Auteur - Susan in de media - Letterhonger: Interview Opzij       

 


Susan Smit: Er is een spiritueel feminisme nodig’

Vanaf haar coming out als heks, in 2001, weer Susan Smit telkens weer de aandacht op zich te vestigen. Het leidde tot columns in Marie Claire en Happinez en tot veel gastoptredens op televisie.

Door: Vivian de Gier.

Of je wilt of niet, je kunt bijna niet om haar heen. Susan Smit (34) lijkt alomtegenwoordig. Ze schrijft columns in Marie Claire en Happinez, recenseert boeken in het tv-programma Goedemorgen Nederland, interviewt auteurs voor Ivo Niehes TV-show op reis, schreef diverse boeken over spiritualiteit, waaronder Wijze vrouwen (2003) en De zweefmolen (2006), en een historische roman (Elena’s vlucht, 2005). Ook met de oprichting van het schrijfsterscollectief Writers on Heels (2005) haalde ze veelvuldig de kranten- en tijdschriftenkolommen. Onlangs verscheen haar tweede roman Wat er niet meer is en begin april volgde de bundel Letterhonger, met eerder verschenen columns en nieuwe stukken.

In de Happinez-wereld wordt ze te kritisch gevonden, in de literaire wereld te zweverig. Toen ze het in maart in een uitzending van De wereld draait door opnam voor medium Char, die door journalist James Randi zou zijn ‘ontmaskerd’, kwam haar dat op een flinke dosis kritiek te staan. ‘Men zegt tegen mij: als je serieus genomen wilt worden, moet je je niet meer met spiritualiteit bezighouden. En iemand als Char verdedigen is wel het láátste wat je moet doen! Het is niet bon ton om als schrijver zo stelling te nemen. Want Char is voor domme mensen, voor die naïeve types die op de paranormaalbeurs rondlopen. Het verhaal van die Randi, die een paar zwakke fragmenten van Chars programma naast elkaar zet en dan roept dat hij haar ontmaskerd heeft, wordt kritiekloos overgenomen, terwijl over iemand die haar verdedigt lacherig wordt gedaan. Het is een denkfout dat je alleen kritisch bent als je met een negatieve conclusie komt; je kunt iets ook kritisch benaderen en met een positieve conclusie komen. Maar in de journalistiek staat objectiviteit ten aanzien van spiritualiteit gelijk aan scepsis. Echte objectiviteit vindt men naïef. Ik wil niet alles kritiekloos omarmen, maar wil ook niet bij voorbaat die zure scepsis en vooringenomenheid hebben van de gevestigde media.’

Spiritualiteit –‘een platgetrapte term die ik eigenlijk zelf ook niet meer kan horen’ – is voor Smit vooral een bewuste manier van leven en het accepteren van het ontastbare dat wel voelbaar, maar niet verklaarbaar is. Smit: ‘James Randi is nog extremistischer dan een religieuze fanaat en zijn religie is: het bestaat niet, omdat het niet meetbaar is. Dat vind ik een zeer beperkte zienswijze en daar wil ik stelling tegen nemen. Honderd jaar geleden was veel nog niet aantoonbaar wat nu wel aantoonbaar is. Bestond het honderd jaar geleden daarom niet? Als je alles wat niet tastbaar is, afdoet als niet-bestaand, draag je net zo goed oogkleppen. Ik vind kwaliteitsbewaking en transparantie in de spirituele wereld belangrijk. Er wordt beslist veel onzin verkocht door paragnosten die eindeloos kletsen over je ‘warme aurakleuren’, maar we moeten het kind niet met het badwater weggooien, want er is ook veel waardevols te vinden in het alternatieve circuit. Daarmee vertegenwoordig ik denk ik de stem van heel veel mensen die kritisch, maar ook enthousiast zijn over spiritualiteit. En of dat mijn geloofwaardigheid als romanschrijfster nou ten goede of ten kwade beïnvloedt, kan me eigenlijk niet zo veel schelen.’

Met Wat er niet meer is heeft Smit een flinke literaire sprong vooruit gemaakt ten opzichte van Elena’s vlucht. De korte roman beschrijft de platonische liefdesgeschiedenis van componist Thomas en pianiste Judith. De twee roepen een heftige liefde en begeerte in elkaar wakker, maar Judith is getrouwd. Afgezien van een kus en omhelzing, blijft de relatie platonisch. Niet lang na hun ontmoeting verongelukt Judith. Thomas blijft ontroostbaar achter, maar voelt al snel dat hij niet alleen is.

Smit weet van kleins af aan wat het is om contact te hebben met een andere realiteit, met bekende en onbekende verschijningen, zoals haar overleden opa. ‘Als kind heb ik me daardoor eenzaam gevoeld, maar tegenwoordig heb ik steeds meer gelijkgestemden om me heen, vrienden die geloven dat ik het zo voel. Dat is het enige wat ik vraag, ook van mijn vriendje. Ik roep soms iets als: morgen gebeurt er zus of zo. Vorige week, toen hij in Afrika was, bijvoorbeeld: morgen zie je links van je twee leeuwen. Terwijl ik niet wist dat hij naar een wildpark ging. Zulke dingen kan ik niet voor me houden. Na een tijdje hebben mensen wel door dat er bij mij een extra zintuig aan het werk is. Het verrijkt me en ik accepteer het, maar ik voel niet de behoefte er helemaal in te duiken; ik vind het soms wel fijn om me een beetje voor die werkelijkheid af te sluiten.’

Over haar ervaringen wil ze inhoudelijk niet zo veel kwijt, ze is terughoudend om erover te spreken. Mensen geloven haar niet of gaan indiscrete vragen stellen, wat voelt als een inbreuk op haar privacy. ‘Er zomaar over praten voelt niet goed; ik wil dit soort dingen liever verhuld en poëtisch aan bod laten komen in mijn fictie. Daarin kun je het alledaagse en het bovennatuurlijke met elkaar vermengen; het lijkt wel alsof het ervoor gemaakt is. Om het op die manier aan de orde te laten komen, daar voel ik me veiliger bij.’

Geïnspireerd op Zuid-Amerikaanse literatuur, waarin het niet ongebruikelijk is dat er geesten rondwaren over de pagina’s (denk bijvoorbeeld aan het werk van Isabel Allende) en Emily Brontës klassieker Wuthering Heights, wilde Smit in Wat er niet meer is het lichamelijke en het mystieke met elkaar verbinden. ‘Seksualiteit is de laatste eeuwen in het christendom, jodendom en de islam zwart gemaakt en weggedrukt, vooral de vrouwelijke seksualiteit. Die is gevaarlijk en zou verlichting in de weg staan. Terwijl ik juist geloof dat het ontwikkelen van je seksualiteit, mits die vanuit het hart komt, deel uitmaakt van je persoonlijke groei. Het kan heel verheven zijn. Heilig bijna.’

Met het schrijven van deze roman zocht – en vond – Smit ook antwoorden op persoonlijke vragen over wat liefde is, hoe je van iemand kunt houden maar die persoon toch verlaten, hoe begeerte in elkaar zit. ‘Ik had in 2006 een relatie van elf jaar beëindigd, terwijl ik nog van hem hield. Ik begreep mezelf niet meer, begreep de liefde niet meer. Laat staan dat hij het begreep. Ik vroeg me af: wat is liefhebben en wat is er nodig om een relatie goed te houden? Ik kon het niet uitleggen en dat vond ik niet eerlijk tegenover hem. Maar houden van alleen is niet genoeg; het is belangrijk dat er meer gebeurt, dat je elkaar op een bepaalde manier confronteert, een spiegel voorhoudt. In de liefde leren we onze meest pijnlijke, maar waardevolle lessen. Het diepere verlangen om jezelf echt met iemand te verbinden, komt omdat die ander iets in jou teweegbrengt.’

Smit ontdekte dat ze moeite had een echte verbintenis aan te gaan en dat dit te maken had met haar drankzuchtige vader. Susan groeide op in Noordwijk en bracht haar jeugd door op het strand. Haar vader, grootvader, oom en broer waren allemaal badmannen.  ‘Soms ging ik voor het slapen nog even met mijn beer over het strand wandelen. Ik voelde me er totaal thuis. Dat stukje strand was voor mij de wereld van mijn vader, waar mensen op bezoek mochten komen, een stoel huurden, maar als de zon onderging weer moesten opdonderen; dan was het weer van mij. Ik keek ontzettend tegen mijn vader op. Hij had altijd zo’n wit uniform aan, een pet op. Als badman heb je natuurlijk veel contacten en ik dacht dat iedereen hem zeer hoog achtte. Hij stond voor mij op een enorm voetstuk.

Het omslagpunt kwam toen ik meer ging nadenken en over dingen wilde praten, ik was denk ik een jaar of tien, twaalf. Toen haakte hij af, hij kon dat niet. Mijn vader was een onveilige factor; we konden nooit voorspellen in welke mate van dronkenschap hij thuiskwam. Mijn moeder, die bij hem is weggegaan toen ik al het huis uit was, kon ontzettend goed relativeren. Ze zocht zelf haar geluk in het leven, had haar eigen vriendinnen, haar eigen activiteiten, haar eigen geld. Mijn moeder heeft het goed opgevangen en mij veel zelfvertrouwen gegeven. Ze zei: wat jij in je hoofd haalt, kun je.’

Daarom denk ik dat de situatie met mijn vader mij niet zo veel schade heeft berokkend, behalve dan in mijn houding tegenover mannen – daar ben ik nu pas van losgekomen, door erover na te denken en te schrijven. De relatie met je vader bepaalt de eerste ervaring die je hebt met mannen in je leven: wat vind je normaal, wat niet en wat verwacht je van een man. Ik had als meisje geleerd om niets te verwachten; ik had geleerd dat je het allemaal zelf moet doen en een man eigenlijk niet nodig hebt. Dat klinkt heel sterk, maar is eigenlijk zwak.  Ik durfde niet te rekenen op een man, durfde me emotioneel niet te verbinden. Maar wat is er mis met emotioneel een beetje afhankelijk zijn? Als je jezelf dat niet toestaat, houd je iemand op afstand. Het was een openbaring te beseffen dat ik dat niet durfde, maar er wel erg naar verlangde. Ik had altijd mijn weg gevonden in de wereld, maar in de liefde was ik een angsthaas.’

Ze grinnikt. ‘Ik vlieg de hele wereld over en klim zo een podium op om mensen toe te spreken; ik ben nooit zenuwachtig voor televisieoptredens of lezingen. Maar je kunt me niet nerveuzer en onzekerder krijgen dan wanneer ik probeer te koken voor mijn vriend Floris. Je zou me moeten zien; dan word ik heel onhandig en bloos ik als een framboos als ik het brouwsel op tafel zet.’
De angst voor overgave in de liefde heeft ze het afgelopen jaar overwonnen. ‘Dat is heerlijk. Met Floris voelt het heel hecht en intens. We hebben onlangs een huis gekocht. Ik heb geen seconde getwijfeld.’

Onafhankelijkheid in werk en financiën heeft Smit hoog in het vaandel staan en dat zal altijd zo blijven, zegt ze. Ze noemt zichzelf spiritueel feministe, en dat draagt ze met verve uit. Smit is er vast van overtuigd dat de dagen van de patriarchale samenleving zijn geteld en dat er meer gelijkwaardigheid komt tussen mannen en vrouwen, tussen de mannelijke en vrouwelijke manier van denken en in het leven staan. ‘In oudere natuurreligies waren mannen en vrouwen veel gelijkwaardiger. Er waren goden én godinnen. Godinnen werden vervolgen de ‘vrouwen van’, tot ze in de hedendaagse religies helemaal niet meer bestonden en er nog maar één God overbleef. ‘In het christendom is er de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Maar waar is de vrouw, de moeder? Wie ben ik dan? Vrouwen en kracht, dat is gevaarlijk. En het lichamelijke is verwerpelijk. Maria is gestript van haar seksualiteit, anders kon ze niet heilig zijn. En Maria Magdalena, die gewoon een volgelinge was van Jezus, werd bestempeld tot hoer. Die ideeën hebben ons vergiftigd, hebben vrouwen een onderhuids gevoel van minderwaardigheid gegeven. Daarover heb ik geschreven in mijn boek Heks in 2001. Ik noem het spiritueel feminisme, om te laten zien hoe het vrouwelijke in religie door de eeuwen heen is verdraaid, vies gemaakt en onderdrukt.’

Zelf krijgt ze ook geregeld met seksisme te maken. ‘Ik vind het lastig om over te praten, want dan wordt al snel gevonden dat je loopt te zeuren. Maar ik stoor me er de laatste tijd flink aan. Altijd krijg ik vragen over mijn uiterlijk. Worden die ook gesteld aan mannen die er leuk uitzien?Laatst had ik echt een dieptepunt. Ik was op een literaire avond geweest en Stephan Sanders interviewde me. Dan denk je toch: een gerenommeerd journalist. Hij vroeg me te gaan staan om te laten zien dat ik langere benen had dan hij. Ik ging door de grond, maar deed het nog ook! Terug in de trein zat ik daar enorm van te balen. Ik pakte De Pers en wat stond er in een stuk over de boekenweek – ik krijg het m’n bek bijna niet uit, zó seksistisch was het: “Susan Smit druppelt wat inkt uit haar borsten, zet af en toe een punt en dan heeft ze weer een boekje.” Dat is toch niet te geloven!?’

Ze geeft nog een stuitend voorbeeld. ‘Een paar jaar geleden schreef columnist Herman Franke in De Volkskrant: “Je wilt de boeken van Susan Smit openslaan zoals je haar benen wilt spreiden.” Blijkbaar mogen mannen dat schrijven als je denkt literatuur te schrijven en tegelijk frivole jurkjes draagt. Dan lok je dat uit en moet je er niet over zeuren dat je niet serieus wordt genomen, anders moet je maar hoge coltruien dragen. Wat is dat voor onzin? Ik vind het al mijn hele leven leuk om me op te maken en er leuk en vrouwelijk uit te zien. Ik ga mezelf toch geen beperkingen opleggen omwille van zo’n achterhaalde mening van mensen, van mannen? Als ik dan niet serieus genomen word, dan maar niet, hoor.’

Er is geen vrouwelijke journalist die het haar vraagt: zou ze willen poseren in Playboy? ‘Die vraag is me wel door vijftig mannelijke journalisten gesteld. Pas nog in een interview met Hugo Borst: voor hoeveel geld zou je naakt in de Playboy gaan staan? Voor zoveel? Voor zoveel dan? Nou, maar dan toch wel voor zoveel? Mán! Wat moet je daar nou op antwoorden? Het erge is dat je er dus ook niks van kunt zeggen. Voor je het weet kleeft het Daphne Deckers-syndroom aan je, zo van: ik ben blond, maar ik kan heus wel wat, hoor! En dat is wel het laatste wat ik wil.’

Susan Smit, Letterhonger (€15,95) en Wat er niet meer is (€13,95), Lebowski

 

 


Terug naar top                                                                              Terug naar overzicht

Alle teksten op deze site © Susan Smit, tenzij anders vermeld. / Webdesign: Xntriq.nl