Door: Vivian de Gier.
Of je wilt of niet, je kunt bijna niet om haar heen. Susan
Smit (34) lijkt alomtegenwoordig. Ze schrijft columns in
Marie Claire en Happinez, recenseert boeken
in het tv-programma Goedemorgen Nederland, interviewt
auteurs voor Ivo Niehes TV-show op reis, schreef
diverse boeken over spiritualiteit, waaronder Wijze
vrouwen (2003) en De zweefmolen (2006), en
een historische roman (Elena’s vlucht, 2005).
Ook met de oprichting van het schrijfsterscollectief Writers
on Heels (2005) haalde ze veelvuldig de kranten- en tijdschriftenkolommen.
Onlangs verscheen haar tweede roman Wat er niet meer
is en begin april volgde de bundel Letterhonger,
met eerder verschenen columns en nieuwe stukken.
In de Happinez-wereld wordt ze te kritisch gevonden,
in de literaire wereld te zweverig. Toen ze het in maart
in een uitzending van De wereld draait door opnam
voor medium Char, die door journalist James Randi zou zijn
‘ontmaskerd’, kwam haar dat op een flinke dosis
kritiek te staan. ‘Men zegt tegen mij: als je serieus
genomen wilt worden, moet je je niet meer met spiritualiteit
bezighouden. En iemand als Char verdedigen is wel het láátste
wat je moet doen! Het is niet bon ton om als schrijver zo
stelling te nemen. Want Char is voor domme mensen, voor
die naïeve types die op de paranormaalbeurs rondlopen.
Het verhaal van die Randi, die een paar zwakke fragmenten
van Chars programma naast elkaar zet en dan roept dat hij
haar ontmaskerd heeft, wordt kritiekloos overgenomen, terwijl
over iemand die haar verdedigt lacherig wordt gedaan. Het
is een denkfout dat je alleen kritisch bent als je met een
negatieve conclusie komt; je kunt iets ook kritisch benaderen
en met een positieve conclusie komen. Maar in de journalistiek
staat objectiviteit ten aanzien van spiritualiteit gelijk
aan scepsis. Echte objectiviteit vindt men naïef. Ik
wil niet alles kritiekloos omarmen, maar wil ook niet bij
voorbaat die zure scepsis en vooringenomenheid hebben van
de gevestigde media.’
Spiritualiteit –‘een platgetrapte term die ik
eigenlijk zelf ook niet meer kan horen’ – is
voor Smit vooral een bewuste manier van leven en het accepteren
van het ontastbare dat wel voelbaar, maar niet verklaarbaar
is. Smit: ‘James Randi is nog extremistischer dan
een religieuze fanaat en zijn religie is: het bestaat niet,
omdat het niet meetbaar is. Dat vind ik een zeer beperkte
zienswijze en daar wil ik stelling tegen nemen. Honderd
jaar geleden was veel nog niet aantoonbaar wat nu wel aantoonbaar
is. Bestond het honderd jaar geleden daarom niet? Als je
alles wat niet tastbaar is, afdoet als niet-bestaand, draag
je net zo goed oogkleppen. Ik vind kwaliteitsbewaking en
transparantie in de spirituele wereld belangrijk. Er wordt
beslist veel onzin verkocht door paragnosten die eindeloos
kletsen over je ‘warme aurakleuren’, maar we
moeten het kind niet met het badwater weggooien, want er
is ook veel waardevols te vinden in het alternatieve circuit.
Daarmee vertegenwoordig ik denk ik de stem van heel veel
mensen die kritisch, maar ook enthousiast zijn over spiritualiteit.
En of dat mijn geloofwaardigheid als romanschrijfster nou
ten goede of ten kwade beïnvloedt, kan me eigenlijk
niet zo veel schelen.’
Met Wat er niet meer is heeft Smit een flinke
literaire sprong vooruit gemaakt ten opzichte van Elena’s
vlucht. De korte roman beschrijft de platonische liefdesgeschiedenis
van componist Thomas en pianiste Judith. De twee roepen
een heftige liefde en begeerte in elkaar wakker, maar Judith
is getrouwd. Afgezien van een kus en omhelzing, blijft de
relatie platonisch. Niet lang na hun ontmoeting verongelukt
Judith. Thomas blijft ontroostbaar achter, maar voelt al
snel dat hij niet alleen is.
Smit weet van kleins af aan wat het is om contact te hebben
met een andere realiteit, met bekende en onbekende verschijningen,
zoals haar overleden opa. ‘Als kind heb ik me daardoor
eenzaam gevoeld, maar tegenwoordig heb ik steeds meer gelijkgestemden
om me heen, vrienden die geloven dat ik het zo voel. Dat
is het enige wat ik vraag, ook van mijn vriendje. Ik roep
soms iets als: morgen gebeurt er zus of zo. Vorige week,
toen hij in Afrika was, bijvoorbeeld: morgen zie je links
van je twee leeuwen. Terwijl ik niet wist dat hij naar een
wildpark ging. Zulke dingen kan ik niet voor me houden.
Na een tijdje hebben mensen wel door dat er bij mij een
extra zintuig aan het werk is. Het verrijkt me en ik accepteer
het, maar ik voel niet de behoefte er helemaal in te duiken;
ik vind het soms wel fijn om me een beetje voor die werkelijkheid
af te sluiten.’
Over haar ervaringen wil ze inhoudelijk niet zo veel kwijt,
ze is terughoudend om erover te spreken. Mensen geloven
haar niet of gaan indiscrete vragen stellen, wat voelt als
een inbreuk op haar privacy. ‘Er zomaar over praten
voelt niet goed; ik wil dit soort dingen liever verhuld
en poëtisch aan bod laten komen in mijn fictie.
Daarin kun je het alledaagse en het bovennatuurlijke met
elkaar vermengen; het lijkt wel alsof het ervoor gemaakt
is. Om het op die manier aan de orde te laten komen, daar
voel ik me veiliger bij.’
Geïnspireerd op Zuid-Amerikaanse literatuur, waarin
het niet ongebruikelijk is dat er geesten rondwaren over
de pagina’s (denk bijvoorbeeld aan het werk van Isabel
Allende) en Emily Brontës klassieker Wuthering
Heights, wilde Smit in Wat er niet meer is
het lichamelijke en het mystieke met elkaar verbinden. ‘Seksualiteit
is de laatste eeuwen in het christendom, jodendom en de
islam zwart gemaakt en weggedrukt, vooral de vrouwelijke
seksualiteit. Die is gevaarlijk en zou verlichting in de
weg staan. Terwijl ik juist geloof dat het ontwikkelen van
je seksualiteit, mits die vanuit het hart komt, deel uitmaakt
van je persoonlijke groei. Het kan heel verheven zijn. Heilig
bijna.’
Met het schrijven van deze roman zocht – en vond –
Smit ook antwoorden op persoonlijke vragen over wat liefde
is, hoe je van iemand kunt houden maar die persoon toch
verlaten, hoe begeerte in elkaar zit. ‘Ik had in 2006
een relatie van elf jaar beëindigd, terwijl ik nog
van hem hield. Ik begreep mezelf niet meer, begreep de liefde
niet meer. Laat staan dat hij het begreep. Ik vroeg me af:
wat is liefhebben en wat is er nodig om een relatie goed
te houden? Ik kon het niet uitleggen en dat vond ik niet
eerlijk tegenover hem. Maar houden van alleen is niet genoeg;
het is belangrijk dat er meer gebeurt, dat je elkaar op
een bepaalde manier confronteert, een spiegel voorhoudt.
In de liefde leren we onze meest pijnlijke, maar waardevolle
lessen. Het diepere verlangen om jezelf echt met iemand
te verbinden, komt omdat die ander iets in jou teweegbrengt.’
Smit ontdekte dat ze moeite had een echte verbintenis aan
te gaan en dat dit te maken had met haar drankzuchtige vader.
Susan groeide op in Noordwijk en bracht haar jeugd door
op het strand. Haar vader, grootvader, oom en broer waren
allemaal badmannen. ‘Soms ging ik voor het slapen
nog even met mijn beer over het strand wandelen. Ik voelde
me er totaal thuis. Dat stukje strand was voor mij de wereld
van mijn vader, waar mensen op bezoek mochten komen, een
stoel huurden, maar als de zon onderging weer moesten opdonderen;
dan was het weer van mij. Ik keek ontzettend tegen mijn
vader op. Hij had altijd zo’n wit uniform aan, een
pet op. Als badman heb je natuurlijk veel contacten en ik
dacht dat iedereen hem zeer hoog achtte. Hij stond voor
mij op een enorm voetstuk.
Het omslagpunt kwam toen ik meer ging nadenken en over dingen
wilde praten, ik was denk ik een jaar of tien, twaalf. Toen
haakte hij af, hij kon dat niet. Mijn vader was een onveilige
factor; we konden nooit voorspellen in welke mate van
dronkenschap hij thuiskwam. Mijn moeder, die bij hem is
weggegaan toen ik al het huis uit was, kon ontzettend goed
relativeren. Ze zocht zelf haar geluk in het leven, had
haar eigen vriendinnen, haar eigen activiteiten, haar eigen
geld. Mijn moeder heeft het goed opgevangen en mij veel
zelfvertrouwen gegeven. Ze zei: wat jij in je hoofd haalt,
kun je.’
Daarom denk ik dat de situatie met mijn vader mij niet zo
veel schade heeft berokkend, behalve dan in mijn houding
tegenover mannen – daar ben ik nu pas van losgekomen,
door erover na te denken en te schrijven. De relatie met
je vader bepaalt de eerste ervaring die je hebt met mannen
in je leven: wat vind je normaal, wat niet en wat verwacht
je van een man. Ik had als meisje geleerd om niets te verwachten;
ik had geleerd dat je het allemaal zelf moet doen en een
man eigenlijk niet nodig hebt. Dat klinkt heel sterk, maar
is eigenlijk zwak. Ik durfde niet te rekenen op een
man, durfde me emotioneel niet te verbinden. Maar wat is
er mis met emotioneel een beetje afhankelijk zijn? Als je
jezelf dat niet toestaat, houd je iemand op afstand. Het
was een openbaring te beseffen dat ik dat niet durfde, maar
er wel erg naar verlangde. Ik had altijd mijn weg gevonden
in de wereld, maar in de liefde was ik een angsthaas.’
Ze grinnikt. ‘Ik vlieg de hele wereld over en klim
zo een podium op om mensen toe te spreken; ik ben nooit
zenuwachtig voor televisieoptredens of lezingen. Maar je
kunt me niet nerveuzer en onzekerder krijgen dan wanneer
ik probeer te koken voor mijn vriend Floris. Je zou me moeten
zien; dan word ik heel onhandig en bloos ik als een framboos
als ik het brouwsel op tafel zet.’
De angst voor overgave in de liefde heeft ze het afgelopen
jaar overwonnen. ‘Dat is heerlijk. Met Floris voelt
het heel hecht en intens. We hebben onlangs een huis gekocht.
Ik heb geen seconde getwijfeld.’
Onafhankelijkheid in werk en financiën heeft Smit hoog
in het vaandel staan en dat zal altijd zo blijven, zegt
ze. Ze noemt zichzelf spiritueel feministe, en dat draagt
ze met verve uit. Smit is er vast van overtuigd dat de dagen
van de patriarchale samenleving zijn geteld en dat er meer
gelijkwaardigheid komt tussen mannen en vrouwen, tussen
de mannelijke en vrouwelijke manier van denken en in het
leven staan. ‘In oudere natuurreligies waren mannen
en vrouwen veel gelijkwaardiger. Er waren goden én
godinnen. Godinnen werden vervolgen de ‘vrouwen van’,
tot ze in de hedendaagse religies helemaal niet meer bestonden
en er nog maar één God overbleef. ‘In
het christendom is er de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
Maar waar is de vrouw, de moeder? Wie ben ik dan? Vrouwen
en kracht, dat is gevaarlijk. En het lichamelijke is verwerpelijk.
Maria is gestript van haar seksualiteit, anders kon ze niet
heilig zijn. En Maria Magdalena, die gewoon een volgelinge
was van Jezus, werd bestempeld tot hoer. Die ideeën
hebben ons vergiftigd, hebben vrouwen een onderhuids gevoel
van minderwaardigheid gegeven. Daarover heb ik geschreven
in mijn boek Heks in 2001. Ik noem het spiritueel
feminisme, om te laten zien hoe het vrouwelijke in religie
door de eeuwen heen is verdraaid, vies gemaakt en onderdrukt.’
Zelf krijgt ze ook geregeld met seksisme te maken. ‘Ik
vind het lastig om over te praten, want dan wordt al snel
gevonden dat je loopt te zeuren. Maar ik stoor me er de
laatste tijd flink aan. Altijd krijg ik vragen over mijn
uiterlijk. Worden die ook gesteld aan mannen die er leuk
uitzien?Laatst had ik echt een dieptepunt. Ik was op een
literaire avond geweest en Stephan Sanders interviewde me.
Dan denk je toch: een gerenommeerd journalist. Hij vroeg
me te gaan staan om te laten zien dat ik langere benen had
dan hij. Ik ging door de grond, maar deed het nog ook! Terug
in de trein zat ik daar enorm van te balen. Ik pakte De
Pers en wat stond er in een stuk over de boekenweek
– ik krijg het m’n bek bijna niet uit, zó
seksistisch was het: “Susan Smit druppelt wat inkt
uit haar borsten, zet af en toe een punt en dan heeft ze
weer een boekje.” Dat is toch niet te geloven!?’
Ze geeft nog een stuitend voorbeeld. ‘Een paar jaar
geleden schreef columnist Herman Franke in De Volkskrant:
“Je wilt de boeken van Susan Smit openslaan zoals
je haar benen wilt spreiden.” Blijkbaar mogen mannen
dat schrijven als je denkt literatuur te schrijven en tegelijk
frivole jurkjes draagt. Dan lok je dat uit en moet je er
niet over zeuren dat je niet serieus wordt genomen, anders
moet je maar hoge coltruien dragen. Wat is dat voor onzin?
Ik vind het al mijn hele leven leuk om me op te maken en
er leuk en vrouwelijk uit te zien. Ik ga mezelf toch geen
beperkingen opleggen omwille van zo’n achterhaalde
mening van mensen, van mannen? Als ik dan niet serieus genomen
word, dan maar niet, hoor.’
Er is geen vrouwelijke journalist die het haar vraagt: zou
ze willen poseren in Playboy? ‘Die vraag is me wel
door vijftig mannelijke journalisten gesteld. Pas nog in
een interview met Hugo Borst: voor hoeveel geld zou je naakt
in de Playboy gaan staan? Voor zoveel? Voor zoveel dan?
Nou, maar dan toch wel voor zoveel? Mán! Wat moet
je daar nou op antwoorden? Het erge is dat je er dus ook
niks van kunt zeggen. Voor je het weet kleeft het Daphne
Deckers-syndroom aan je, zo van: ik ben blond, maar ik kan
heus wel wat, hoor! En dat is wel het laatste wat ik wil.’
Susan Smit, Letterhonger (€15,95) en Wat
er niet meer is (€13,95), Lebowski