Door: Olivier Heimel
‘Net als Theo Thijssen geloof ik dat de mens in wezen
goed is. Dat mensen zich het beste voelen als ze goed doen,
en dat slechte een afwijking is van de norm.
Als ik schrijf denk ik daar niet aan, maar als het af is,
wil ik gelezen worden. Toen ik nog interviews schreef voor
Volkskrant Magazine, zag ik eens drie mensen het
Volkskrant Magazine lezen in de trein. Vond ik
zo spannend. Mijn vriendje ging toen door de coupé
lopen om te kijken of ze mijn interview ook lazen. “One
down, two to go”, zei-ie dan. Toen realiseerde ik
me voor het eerst dat mijn stukken ook de wereld ingingen,
dat er over werd gepraat. Ik herinner ook dat ik ooit bij
boekwinkel Scheltema stond, toen er een meisje binnenkwam
dat verheugd uitriep “Oh, de nieuwe Susan Smit!”
Ik stelde me verdekt op, maar toen ik me heel even omdraaide,
zag ik dat ze dat boek stevig tegen haar borst drukte. Je
begrijpt, dat was een hoogtepunt.
Ik heb me ooit laten overhalen om model te worden, maar
dat was slechts een zijpad, ik heb nooit iets anders dan
schrijfster willen zijn. Op de kleuterschool zei een lerares
al: “Susan? Dat is toch dat meisje dat zo netjes praat?”
Terwijl ik uit een milieu kom waar helemaal niet zo netjes
wordt gesproken. Mijn moeder is kapster en mijn vader is
badman, net als mijn oom en mijn broer.
Noordwijk voelde al heel snel te klein voor mij. Ik was
altijd op het strand te vinden en als ik dan over de zee
uitkeek, dacht ik: daar gebeurt het, niet hier en zo gauw
het kan, ga ik hier weg! Uiteindelijk ging ik naar Parijs,
omdat ik dacht dat het daar gebeurde, maar daar bleek wel
héél veel te gebeuren. Hier in Amsterdam is
het precies goed. Een stad en toch een dorp.
Mijn eerste boek was een riskante onderneming. Ik wilde
niets liever dan schrijfster worden, dus als het mislukt
was, had ik niet alleen gefaald, maar was ik ook mijn vluchtheuvel
kwijt. Schrijven leer je door te schrijven. Zoals de zigeuners
in mijn boek Elena’s vlucht zeggen: “In
het water leer je zwemmen”. Een column schrijven kun
je alleen als je rücksichtslos eerlijk bent. De echte
waarheid, daar gaat het om, niet de kokette, politiek-correcte
versie daarvan.
Natuurlijk ben ik een narcist, maar zijn niet alle schrijvers
dat? Als je schrijft ben je altijd naar binnen gericht.
Mijn columns gaan over mijn leven, mijn ideeën, en
alles wat ik zie, vanuit mijn perspectief. Ik ben tachtig
procent van de tijd met mezelf bezig, maar in gesprekken
kan ik me ook helemaal verliezen in een ander.
Ik hou niet van pageturners. Ik wil juist tot traagheid
worden gedwongen, als bij een lekkere bonbon. De meeste
schrijvers beginnen heel weelderig en bloemrijk en laten
later in hun carrière steeds meer weg. Om meer aan
de lezer over te laten, zoals dat heet. Bij mij is het eerder
andersom. Je mag me een mooischrijver noemen, dat interesseert
me niet. Ik hou nu eenmaal van beschouwend proza. Van Sándor
Márai, van Gabriel Gárcia Marquez en van Arthur
Japin.
Mijn volgende boek wordt weer een historische roman. Ik
heb het verhaal al in mijn hoofd zitten. Het mooie van een
historische roman is dat je woorden die in onbruik zijn
geraakt weer in ere kunt herstellen. Onze taal versmalt,
dat vind ik jammer. Eigenlijk zouden we allemaal een met
uitsterven bedreigd woord moeten adopteren. Dan kies ik
voor “negorij”. In Wat er niet meer is
wilde het mystieke verbinden aan het sensuele, het spirituele
aan het lichamelijke, omdat het ik het zo jammer vind dat
dat altijd losgekoppeld wordt. Vooral in het christendom
is seksualiteit altijd weggemoffeld. En dan vooral de vrouwelijke.
Het is erg spijtig, maar nog geen van mijn boeken zijn
vertaald. Toen ik op de Frankfurter Buchmesse stond voor
Wat er niet meer is vroegen al die uitgevers “So Susan
Smith…In wich countries are you translated?”
Dan zei ik dus “In nog geen één”
en dan voelde ik die blikken alweer afglijden. Er moet er
snel één komen dus. Gelukkig heb ik nu een
heel goede literaire agente. Echt zo’n Amerikaanse
assertieve. Voor Wat er niet meer is heeft ze alvast de
titel All that is gone bedacht. Prachtig toch?
Ik ben niet zweverig. Ik ben spiritueel. Ik erken het ongrijpbare
en het ontastbare als een deel van mijn werkelijkheid. Mijn
vriendje is piloot en staat heel anders in het leven. Ik
ben in staat om een huis te kopen omdat er in de antiekwinkel
daaronder een schrijfmachine staat er en precies op dat
moment een vliegtuig overvliegt. Sterker nog, dat ik heb
ik gisteren gedaan. Mensen die zichzelf spiritueel noemen
zijn niet per se verlicht. Zoals Madonna ooit zei: “Ik
dacht dat ik naar mijn innerlijke kind luisterde, maar het
bleek m’n ego te zijn.”
Het grote misverstand is dat je een trap op zou moeten
lopen om verlicht te zijn. Je moet juist een trap af, om
bij jezelf op zoek te gaan naar wat je écht denkt
en écht voelt, hoe donker dat ook mag zijn. Aardig,
aantrekkelijk meisje dat graag bekend wil worden, dat is
beeld dat me aankleeft. Nieuwe Revu noemde me zelfs
“het slimme decolleté dat Mulisch wil zijn”.
Ik heb een tijd gedacht dat ik dat moest bestrijden en misschien
maar niet meer mooi opgetut naar feestjes moest gaan. Nu
denk ik: dat laat ik me niet afnemen. Wegblijven op die
feestjes, dát zou pas berekenend zijn.
Waarom ik dan nooit een pseudoniem heb aangenomen? Misschien
heb ik dat wel gedaan! Ik kan niet tegen mensen die onverschillig
zijn in hun werk, dus ik schaam me soms voor mijn collega-journalisten.
Ik denk dat maar vijf procent van de journalisten die me
over een nieuw boek komen interviewen, dat boek ook echt
gelezen heeft. Je taalgebruik zegt net zoveel over je als
de kleding die je draagt. Het is een deel van wie je wil
zijn.
De liefde moet wel een sprookje blijven. Ik heb elf jaar
lang een relatie gehad en dat heeft ook elf jaar lang iets
van een sprookje gehad. Dat gevoel van dit, wat wij hebben
is heel bijzonder, dat heb ik bij mijn nieuwe vriendje ook.
Als je alles maar laat zien en bespreekt met elkaar wordt
het zo banaal. Ik heb ooit bij een vriendin gewoond die
haar mooie kleren voor een joggingbroek verruilde als haar
vriendje kwam. Daar begreep ik helemaal niets van. Ik stift
mijn lippen juist een beetje extra als hij komt.
Het heerlijke aan schrijven is dat je zo ad rem en doordacht
kunt zijn als je in het echte leven graag zou willen zijn.
Wat deze narcist zo leuk aan zichzelf vindt? Mijn vriendje
zou zeggen: “De tegenstellingen”. Ik ben een
vrouw van de wereld zonder rijbewijs.’