© Nico Kroon
  Biografie
  Bibliografie
  Susan in de media
  Lezingen

Home - Auteur - Susan in de media - Letterhonger: Interview Esquire       

 


Wat ik heb geleerd

Susan Smit (34) is schrijfster, columniste en boekenrecensente in Goedemorgen Nederland. Onlangs kwam haar columnbundel Letterhonger uit. ‘Ik ben een vrouw van de wereld zonder rijbewijs.’

Door: Olivier Heimel
 

‘Net als Theo Thijssen geloof ik dat de mens in wezen goed is. Dat mensen zich het beste voelen als ze goed doen, en dat slechte een afwijking is van de norm.

Als ik schrijf denk ik daar niet aan, maar als het af is, wil ik gelezen worden. Toen ik nog interviews schreef voor Volkskrant Magazine, zag ik eens drie mensen het Volkskrant Magazine lezen in de trein. Vond ik zo spannend. Mijn vriendje ging toen door de coupé lopen om te kijken of ze mijn interview ook lazen. “One down, two to go”, zei-ie dan. Toen realiseerde ik me voor het eerst dat mijn stukken ook de wereld ingingen, dat er over werd gepraat. Ik herinner ook dat ik ooit bij boekwinkel Scheltema stond, toen er een meisje binnenkwam dat verheugd uitriep “Oh, de nieuwe Susan Smit!” Ik stelde me verdekt op, maar toen ik me heel even omdraaide, zag ik dat ze dat boek stevig tegen haar borst drukte. Je begrijpt, dat was een hoogtepunt.

Ik heb me ooit laten overhalen om model te worden, maar dat was slechts een zijpad, ik heb nooit iets anders dan schrijfster willen zijn. Op de kleuterschool zei een lerares al: “Susan? Dat is toch dat meisje dat zo netjes praat?” Terwijl ik uit een milieu kom waar helemaal niet zo netjes wordt gesproken. Mijn moeder is kapster en mijn vader is badman, net als mijn oom en mijn broer.

Noordwijk voelde al heel snel te klein voor mij. Ik was altijd op het strand te vinden en als ik dan over de zee uitkeek, dacht ik: daar gebeurt het, niet hier en zo gauw het kan, ga ik hier weg! Uiteindelijk ging ik naar Parijs, omdat ik dacht dat het daar gebeurde, maar daar bleek wel héél veel te gebeuren. Hier in Amsterdam is het precies goed. Een stad en toch een dorp.

Mijn eerste boek was een riskante onderneming. Ik wilde niets liever dan schrijfster worden, dus als het mislukt was, had ik niet alleen gefaald, maar was ik ook mijn vluchtheuvel kwijt. Schrijven leer je door te schrijven. Zoals de zigeuners in mijn boek Elena’s vlucht zeggen: “In het water leer je zwemmen”. Een column schrijven kun je alleen als je rücksichtslos eerlijk bent. De echte waarheid, daar gaat het om, niet de kokette, politiek-correcte versie daarvan.

Natuurlijk ben ik een narcist, maar zijn niet alle schrijvers dat? Als je schrijft ben je altijd naar binnen gericht. Mijn columns gaan over mijn leven, mijn ideeën, en alles wat ik zie, vanuit mijn perspectief. Ik ben tachtig procent van de tijd met mezelf bezig, maar in gesprekken kan ik me ook helemaal verliezen in een ander.

Ik hou niet van pageturners. Ik wil juist tot traagheid worden gedwongen, als bij een lekkere bonbon. De meeste schrijvers beginnen heel weelderig en bloemrijk en laten later in hun carrière steeds meer weg. Om meer aan de lezer over te laten, zoals dat heet. Bij mij is het eerder andersom. Je mag me een mooischrijver noemen, dat interesseert me niet. Ik hou nu eenmaal van beschouwend proza. Van Sándor Márai, van Gabriel Gárcia Marquez en van Arthur Japin.

Mijn volgende boek wordt weer een historische roman. Ik heb het verhaal al in mijn hoofd zitten. Het mooie van een historische roman is dat je woorden die in onbruik zijn geraakt weer in ere kunt herstellen. Onze taal versmalt, dat vind ik jammer. Eigenlijk zouden we allemaal een met uitsterven bedreigd woord moeten adopteren. Dan kies ik voor “negorij”. In Wat er niet meer is wilde het mystieke verbinden aan het sensuele, het spirituele aan het lichamelijke, omdat het ik het zo jammer vind dat dat altijd losgekoppeld wordt. Vooral in het christendom is seksualiteit altijd weggemoffeld. En dan vooral de vrouwelijke.

Het is erg spijtig, maar nog geen van mijn boeken zijn vertaald. Toen ik op de Frankfurter Buchmesse stond voor Wat er niet meer is vroegen al die uitgevers “So Susan Smith…In wich countries are you translated?” Dan zei ik dus “In nog geen één” en dan voelde ik die blikken alweer afglijden. Er moet er snel één komen dus. Gelukkig heb ik nu een heel goede literaire agente. Echt zo’n Amerikaanse assertieve. Voor Wat er niet meer is heeft ze alvast de titel All that is gone bedacht. Prachtig toch?

Ik ben niet zweverig. Ik ben spiritueel. Ik erken het ongrijpbare en het ontastbare als een deel van mijn werkelijkheid. Mijn vriendje is piloot en staat heel anders in het leven. Ik ben in staat om een huis te kopen omdat er in de antiekwinkel daaronder een schrijfmachine staat er en precies op dat moment een vliegtuig overvliegt. Sterker nog, dat ik heb ik gisteren gedaan. Mensen die zichzelf spiritueel noemen zijn niet per se verlicht. Zoals Madonna ooit zei: “Ik dacht dat ik naar mijn innerlijke kind luisterde, maar het bleek m’n ego te zijn.”

Het grote misverstand is dat je een trap op zou moeten lopen om verlicht te zijn. Je moet juist een trap af, om bij jezelf op zoek te gaan naar wat je écht denkt en écht voelt, hoe donker dat ook mag zijn. Aardig, aantrekkelijk meisje dat graag bekend wil worden, dat is beeld dat me aankleeft. Nieuwe Revu noemde me zelfs “het slimme decolleté dat Mulisch wil zijn”. Ik heb een tijd gedacht dat ik dat moest bestrijden en misschien maar niet meer mooi opgetut naar feestjes moest gaan. Nu denk ik: dat laat ik me niet afnemen. Wegblijven op die feestjes, dát zou pas berekenend zijn.

Waarom ik dan nooit een pseudoniem heb aangenomen? Misschien heb ik dat wel gedaan! Ik kan niet tegen mensen die onverschillig zijn in hun werk, dus ik schaam me soms voor mijn collega-journalisten. Ik denk dat maar vijf procent van de journalisten die me over een nieuw boek komen interviewen, dat boek ook echt gelezen heeft. Je taalgebruik zegt net zoveel over je als de kleding die je draagt. Het is een deel van wie je wil zijn.

De liefde moet wel een sprookje blijven. Ik heb elf jaar lang een relatie gehad en dat heeft ook elf jaar lang iets van een sprookje gehad. Dat gevoel van dit, wat wij hebben is heel bijzonder, dat heb ik bij mijn nieuwe vriendje ook. Als je alles maar laat zien en bespreekt met elkaar wordt het zo banaal. Ik heb ooit bij een vriendin gewoond die haar mooie kleren voor een joggingbroek verruilde als haar vriendje kwam. Daar begreep ik helemaal niets van. Ik stift mijn lippen juist een beetje extra als hij komt.

Het heerlijke aan schrijven is dat je zo ad rem en doordacht kunt zijn als je in het echte leven graag zou willen zijn. Wat deze narcist zo leuk aan zichzelf vindt? Mijn vriendje zou zeggen: “De tegenstellingen”. Ik ben een vrouw van de wereld zonder rijbewijs.’

 

 


Terug naar top                                                                              Terug naar overzicht

Alle teksten op deze site © Susan Smit, tenzij anders vermeld. / Webdesign: Xntriq.nl