| |
Elena's vlucht
- leesfragment
Hoofdstuk 2
Is het niet gek dat de herinnering aan sommige
belangrijke gebeurtenissen wegzakt, peinsde Elena, terwijl
andere, schijnbaar onbetekenende momenten zich voor eeuwig
vastzetten aan de oppervlakte van je geest en zich aan je
blijven opdringen? Ze herinnerde zich bepaalde kleine voorvallen
levendiger dan momenten van tegenslag die haar jarenlang zouden
moeten achtervolgen. Ze huilde trouwens ook sneller van geluk
dan van verdriet. Omdat de kwetsbaarheid van geluk haar raakte;
het verlangen, tegen beter weten in, dat het eeuwig zo zou
blijven.
Geluk dient zich altijd aan in kleine brokjes: het zijn flitsen
die voorbijgaan, terwijl verdriet zeurt en je aan je jas blijft
trekken terwijl jij allang weer met andere dingen bezig bent.
Geluk kan je overvallen, zo fel en scherp zijn dat je ogen
ervan gaan tranen, en zo snel weer achter de horizon verdwijnen
dat je je verwonderd afvraagt waarom je huilt.
Elena zag hoe de schemering inviel en hoe de woonwagens zich
steeds scherper aftekenden tegen de lucht. Ze voelde haar
hart zwaar worden van geluk en dacht bij zichzelf: niet vergeten,
vasthouden dit moment. Om haar heen werden de eerste vuren
aangemaakt. Vlammen laaiden op en likten de gietijzeren ketels
die erboven hingen. Vet siste op de zwartgeblakerde bodem.
De stukken varkensvlees, groenten en specerijen die in de
ketels werden gaargekookt brachten zulke weerbarstige geuren
voort dat het leek alsof de vrouwen met elkaar wedijverden
wie de prikkelendste geur kon produceren.
Ze bleef doodstil zitten, bang om zich te verroeren en de
betovering van haar broze geluk te verbreken. Ze keek naar
haar jongere broers en zusjes die om eten bedelden. Irina
weerde hen lachend, quasi-geërgerd af, maar even vaak
haalde ze met een vork een halfgekookt stuk groente uit de
kookpot, waaide het door de avondlucht tot het min of meer
was afgekoeld en deelde het uit. Het wachten was op de mannen,
die weldra zouden terugkeren naar het kamp. Elena was te oud
om te soebatten om lekkere hapjes. Haar maag raakte eraan
gewend om, net als de volwassenen, tweemaal per dag te eten
in grote hoeveelheden: ’s ochtends als de zon opkwam
en ’s avonds als hij achter de horizon verdween.
Irina keek haar schuin aan. Elena voelde zich betrapt en keek
om zich heen, op zoek naar iets te doen om zich een houding
te geven. Ze besloot zichzelf nuttig te maken en pakte een
paar schalen om de gerechten in op te dienen. Irina’s
blik bleef op haar gericht.
‘Mijn mooie chey,’ zei ze, alsof ze aanvoelde
dat er die avond dingen zouden gebeuren die onomkeerbaar waren.
Luide stemmen en gezang kondigden
de komst van de mannen aan. Met veel omhaal gingen ze in groepjes
rond de kampvuren zitten en wenkten de vrouwen om hun het
avondmaal te brengen. Van de verschillende kookvuren kwamen
vrouwen met volgeladen schalen in hun armen aangelopen. Volgens
de traditie aten de Rom, de oudere en belangrijke mannen,
eerst, waarna ze de Romoro, de jongere getrouwde mannen, uitnodigden
zich bij hen te voegen. Ten slotte verorberden de vrouwen
en kinderen de restjes van het maal bij hun eigen kookvuren.
Leeuwen gingen op dezelfde manier te werk, zo had een dorpsmeisje
Elena eens verteld terwijl ze met verbazing het eetritueel
bekeek. De leeuwin jaagt op de prooi. Zij achtervolgt de zebra
of de gnoe, bespringt het dier en takelt het net zolang toe
tot het weerloos op de grond ligt. Dan kuiert het mannetje
er op z’n gemak naartoe en bijt het, bij wijze van genadeslag,
in de hals. De leeuwin en welpjes wachten op gepaste afstand
tot de leeuw zijn buik heeft volgegeten. Zodra hij wegslentert,
stuiven ze op het aangevreten karkas af om hun honger te stillen.
Elena dacht er sindsdien vaak over na. Waarom toch dat heilige
ontzag? Dachten de leeuwinnen het niet alleen af te kunnen
of wisten ze dat een sterk mannetje hen, als het erop aankwam,
altijd de baas zou zijn?
Na de maaltijd vulde Irina de jezbeh, een bronzen kan met
een lang handvat, met water en hield hem boven het vuur. Zodra
het water kookte schepte ze er een paar scheppen suiker en
poederkoffie bij en liet het mengsel opnieuw enkele malen
koken. Iedere keer haalde ze de kan net op tijd, voordat het
water zou overkoken, weg van het vuur. De Turkse koffie was
de Roma waardig: krachtig, kruidig en gemaakt om de elementen
te overstemmen of er op z’n minst de strijd mee aan
te gaan. Bij hevige kou hield het brouwsel je warm en bij
zomerse hitte hield het je wakker en alert.
Op verzoek van haar moeder bracht Elena de koffie naar het
kampvuur waar haar vader zat. De roes van intens geluk was
nog niet vervlogen. Hij hing nog steeds om haar heen en maakte
haar passen veerkrachtig en haar doorgaans scherpe blik zachter.
De mannen keken op van hun gesprek en namen de bekers met
hete koffie van haar aan.
‘Pulika, jouw dochter bloeit onder onze ogen op tot
een waarachtige schoonheid,’ riep Yojo, een van haar
vaders vrienden, uit.
Het was voor het eerst dat Elena werd aangesproken op haar
schoonheid, en ze voelde zich rood worden tot aan haar haarwortels.
Het liefst wilde ze zich zo gauw mogelijk uit de voeten maken,
maar Yojo pakte haar hand en hield die omhoog, alsof hij haar
in het rond wilde laten draaien.
‘Elena gaat de harten breken van alle arme jongemannen
die in haar nabijheid verblijven, dat voorspel ik,’
zei hij vrolijk.
Pulika keek naar de mannen om hem heen en wat hij zag beviel
hem niet. In hun blikken was interesse te lezen, interesse
zoals een man die voor een begeerlijke vrouw voelt. Vooral
Arben, een weduwnaar van een jaar of veertig, leek zijn ogen
niet van Elena af te kunnen houden. Vervolgens keek Pulika
naar zijn dochter. Voor het eerst zag hij haar voorzichtige
rondingen, de aanzet van haar borsten, haar slanke taille.
Haar gezicht had niet meer de uitdrukking van kinderlijke
onschuld die hij van haar gewend was, maar iets wat hij alleen
kende van volwassen vrouwen. Koketterie, misschien. Verlegenheid
met een vleugje behaagzucht.
Pulika herstelde zich en diende zijn vriend Yojo van repliek
door op uitbundige en theatrale wijze lof te zingen op zijn
Romni, zijn eigen vrouw, die verantwoordelijk moest zijn voor
de ontluikende schoonheid van zijn dochter, wat onmiddellijk
een nieuwe discussie losmaakte over de gelijkenis tussen Romni
en hun dochters.
Pulika glimlachte geruststellend naar Elena, die opgelucht
van de verschuiving van aandacht gebruikmaakte om weg te lopen.
Pulika keek zijn dochter peinzend na. Ze had een zwierige
tred, waardoor haar donkere krullen op haar rug dansten. Haar
rokken ruisten om haar benen en benadrukten de beginnende
welving van haar heupen. Pulika besefte met pijn in zijn hart
dat ze, verdomd nog aan toe, rijp was voor het huwelijk.
Volgens de Roma zou je een schoondochter met de oren en niet
met de ogen moeten uitzoeken, waarmee bedoeld werd dat je
meer aandacht aan de reputatie van het meisje in kwestie moest
schenken dan aan haar schoonheid. Immers, ‘shuk tski
khalpe le royasa’, schoonheid kun je niet met een lepel
eten.
Elena’s reputatie was niet haar sterkste punt: iedereen
kende haar neiging om er alleen op uit te trekken en dat gold
niet bepaald als een aanbeveling. Pulika’s hersenen
werkten op topsnelheid. Hij zou een hoge prijs voor haar kunnen
vragen als ze haar weerspannige, onafhankelijke aard zou temperen
en de belofte van gehoorzaamheid zou kunnen wekken. Een huwbaar
Roma-meisje werd, behalve om haar familieachtergrond en deugdzame
karakter, op waarde geschat om haar vermogen een huishouden
te leiden, gasten te verzorgen, de toekomst te voorspellen
voor gadje, haar kookkunsten, haar geduld met kleine kinderen
en haar bereidheid om voor haar schoonfamilie te zorgen. Pas
op de laatste plaats kwamen haar schoonheid en haar talent
voor zingen en dansen.
Pulika’s gokschulden waren hoger opgelopen dan hij aan
zijn vrouw had durven toegeven. De bruidsprijs, dacht hij,
zelfs als die laag was, zou meer dan welkom zijn.
De gedachte aan een huwelijk
liet Pulika niet los en in de weken erna liet hij onder de
Rom doorschemeren dat Elena beschikbaar was. Het mocht niet
overkomen alsof hij zijn dochter aan willekeurig welke man
aanbood, dus hij deed het met de hoogste graad van subtiliteit.
‘Och,’ verzuchtte hij bijvoorbeeld met gespeelde
verwondering, ‘wat worden mijn kinderen groot. Ik ben
een oude man aan het worden.’ Of hij klaagde dat een
huishouden met meer dan één vrouw voor een man
geen sinecure was.
Pulika verbeeldde zich dat vooral Arben met meer dan gemiddelde
interesse naar zijn verzuchtingen luisterde, maar ook Tshurka
ging gretig op zijn opmerkingen in. Hij antwoordde dat hoofd
zijn van een gezin met sterke, volgroeide jongens ook geen
pretje was, zinspelend op zijn nog ongetrouwde zoon Vilco
die hij best aan de arm van Elena zou willen zien.
Vilco was sympathiek, vond Pulika, maar Elena onwaardig. Hij
was nog te onbezonnen, niet verantwoordelijk genoeg om de
zorg voor een vrouw en nageslacht op zich te nemen. Bovendien
zou het gezin de bruidsschat die hij voor Elena in gedachten
had, niet kunnen ophoesten. Tshurka had een zwakke gezondheid,
waardoor hij niet in staat was veel werk te verzetten en regelmatig
aangewezen was op leningen van de andere Rom die, zo wist
iedereen, nooit werden terugbetaald. Als een van de weinigen
in de kumpania reisde zijn gezin niet met een houten woonwagen
met openslaande deuren en drie ramen aan elke zijde, maar
met een woonwagen die met stof was bekleed. Pulika was het
die dagen met Tshurka oneens over allerlei futiele zaken,
van de juiste manier om paardenhoeven te polijsten tot de
herkomst van een legende, om hem, zonder dat hij gezichtsverlies
zou hoeven lijden, duidelijk te maken dat een eventueel huwelijksaanzoek
niet geaccepteerd zou worden.
Dit alles ontging Nuzi niet. Hij merkte dat er nadrukkelijker
naar Elena werd gekeken en dat haar kwaliteiten en ondeugden
onder de Rom werden besproken. Toen hij in afwachting van
de avondmaaltijd met een paar jongens ging voetballen, riep
iemand plagerig tegen Vilco dat hij maar beter wat spierballen
kon kweken, wilde hij een wilde meid als Elena schaken.
Na een nacht woelen, waarbij
hij zijn jongere broertje tot wanhoop dreef, besloot Nuzi
Elena op de hoogte te brengen van de geruchten. Het voelde
als verraad om haar die kennis te onthouden. Bij het krieken
van de dag, toen Elena de borden van de vorige avond aan het
schoonmaken was, liep hij naar haar toe. Ze zat op haar hurken,
met haar voeten een stukje uit elkaar, schuurde de borden
met een beetje aarde en spoelde ze af in een tobbe. Het viel
hem op dat ze af en toe met een genietende blik naar boven
keek. Toen hij haar blik volgde zag hij hoe de ochtendzon
de hemel intens roze en oranje kleurde.
Hoe deed ze dat toch altijd? vroeg hij zich af. Hem onbewust
op dingen wijzen die hem anders nooit waren opgevallen? Ze
kon ineens stilhouden bij een bosanemoon of met mos begroeide
boomwortels, zodat hij de schoonheid ervan opmerkte. Ze wees
verrukt naar de zalmen die sprongen in een waterval, zodat
hij nooit meer een waterval kon zien zonder er springende
vissen in te vermoeden. Toen ze samen achter in een rijdende
wagen naar het voorbijglijdende landschap keken, vertelde
ze hem eens dat de bergen in de verte met elkaar konden praten.
Ze waren vrienden, had ze gezegd, en ze hadden een verbond
gesloten waar de mens geen weet van had. Maar hoe weet jíj
er dan van? had hij gevraagd. Ze had geantwoord dat er een
paar mensen waren die de wereld van de bergen en de bomen,
van de rivieren en de zwaluwen konden betreden, en dat zij
daar een van was. Daarna was ze in lachen uitgebarsten, zodat
hij niet wist of ze het meende of de draak met hem stak. Hij
zou een nog grotere onbenul lijken als hij het haar ging vragen,
dus liet hij het maar zo.
‘Je kijkt alsof iemand je ziel heeft afgepakt, Nuzi,’
zei Elena bij wijze van begroeting. Ze was blij om even afleiding
te hebben van haar saaie klus en liet het bord dat ze in haar
handen had in het water plonsen.
‘Jij ziet mijn vastberadenheid wel vaker aan voor boosheid.’
‘Dus je bent vastberaden?’
‘Ja. Ik wil je iets vertellen waarvan ik denk dat je
het wilt weten. Er gaan geruchten dat je vader op zoek is
naar een geschikte huwelijkspartner voor jou.’
Elena keek ontzet. ‘Huwelijks...’ begon ze, ‘hoe
kan dat nou?’
‘Zo gek is dat niet,’ zei Nuzi op sussende toon.
Als ze hier nu maar geen scène ging schoppen. ‘Je
bent tenslotte al veertien. Mijn nichtje Keja was twaalf toen
ze haar bruiloft vierde.’
Elena trok haar mond samen en balde haar vuisten. Dit kon
niet waar zijn, dit mocht niet. Niet nu al. Ze was een paar
manen geleden gaan vloeien, en had het onvermijdelijke moeder-dochtergesprek
gevoerd over het in acht nemen van bepaalde regels als volwassen
vrouw. Als menstruerende vrouw was ze marhime, onrein, en
moest ze zichzelf en haar kleren gescheiden wassen om de mannen
niet te ‘besmetten’. Goed, ze was dan nu een vrouw,
maar haar ouders wilden haar toch niet zo snel mogelijk verkwanselen
aan de eerste de beste man die bereid was een paar goudstukken
voor haar neer te tellen? Was ze zo’n blok aan hun been?
Emoties tuimelden over elkaar: woede, angst, ongeloof. Daaronder
lag onmacht, het pijnlijke besef dat ze enkel nog wat kon
tegenstribbelen, maar dat haar lot bezegeld was.
Zonder verder nog iets te zeggen draaide ze zich om en liet
de afwas en Nuzi achter om haar moeder te zoeken.
Elena trof Irina aan op een houten krukje tussen stapels rietschoven,
waarmee ze manden aan het vlechten was. Het was werk dat haar
vader eigenlijk zou moeten doen, wist ze en ze voelde zich
nog kwader worden. Hij had de riethalmen opgehaald bij een
plaatselijke boer en zou ze, voordat ze verder trokken, weer
inleveren als manden. Waarschijnlijk zat hij ergens te drinken
en haar aan te prijzen aan god weet welke waardeloze vent.
‘Hoe kúnnen jullie?’ riep ze uit.
Irina zuchtte vermoeid, terwijl ze routineus de laatste hand
legde aan het hengsel van een mand. Het was maar goed dat
niet al haar kinderen zo licht ontvlambaar waren, want met
dit meisje leek altijd iets aan de hand te zijn. Pas toen
ze opkeek en haar dochters woedende blik zag, besefte ze dat
er echt iets mis was. Haar ergernis veranderde in bezorgdheid.
Met haar handen uitdagend in haar zij geplant keek Elena haar
moeder aan.
‘Waarom zijn jullie er zo op gebrand om me uit te huwelijken?
Wat doe ik verkeerd? Heb ik de laatste weken niet alles gedaan
wat je me opdroeg?’
Ze stopte met haar tirade toen ze de verbaasde uitdrukking
op haar moeders gezicht zag. Op hetzelfde ogenblik begreep
ze dat dit een beslissing was van haar vader alleen en dat
dit voor haar moeder net zo goed een verrassing was.
‘O, mama, laat het niet gebeuren. Laat me bij je blijven.’
Haar stem kreeg een smekende toon. ‘Ik zal alles doen
wat je van me vraagt.’
Irina stond op van haar krukje en drukte Elena tegen haar
borst. ‘Ik zou willen dat dat mogelijk was, liefje,
maar ik kan dit niet tegenhouden. Er komt een moment in je
leven dat je op eigen benen moet leren staan, dat weet je
toch. Het huwelijk hoort daarbij. Het is een soort, hoe zal
ik het zeggen... natuurwet.’
Elena schudde zich van haar moeder los en keek haar fel aan.
‘Maar Jeta is toch ook niet getrouwd?’
‘Jeta was al een oude vrouw toen ze zich bij ons aansloot.
Bovendien bewéért ze wel dat ze nooit getrouwd
is, maar er zijn genoeg mensen die daaraan twijfelen. Het
celibaat is onnatuurlijk. Bovendien: wat Jeta doet is haar
zaak. Je vader en ik willen een fatsoenlijke toekomst voor
jou. En die zullen we garant stellen door een goede man uit
te kiezen.’
Elena wist niet wat ze hoorde: zelfs haar moeder was hier
een voorstander van. Weg wilde ze, ontsnappen aan het net
dat zich razendsnel om haar sloot.
Ze wilde geen echtgenoot, nu niet en nooit niet. Ze wilde
haar leven leiden zoals de oude Jeta dat deed: ongebonden,
zonder van iemands steun, liefde of goedkeuring afhankelijk
te zijn. Ze wilde bij niemand horen. Het stuitte haar tegen
de borst dat iemand haar gedachtewereld binnen zou dringen,
stukje bij beetje terrein zou winnen en haar dromen en illusies
zou toe-eigenen. Een echtgenoot zou haar niet kunnen begrijpen.
En zij wilde hem niet begrijpen.
Zo hard ze kon rende ze het terrein af, de velden in. Haar
moeders geroep en de verbaasde blikken van de andere vrouwen
deden haar goed. Hoe meer stof ze deed opwaaien, hoe beter.
Het vanzelfsprekende, het onafwendbare van dit alles beklemde
haar. Iedereen had zomaar aangenomen dat ze zich geruisloos
in haar lot zou schikken. Wat dachten ze wel? Haar was niets
gevraagd.
In haar beleving rende ze
mijlenver weg van het kamp, maar toen ze hijgend omkeek zag
ze dat de pluimen rook van de kookvuren nog betrekkelijk dichtbij
waren. Ze stopte met rennen en liep, nog steeds gejaagd en
met een wild kloppend hart, verder. Het land was heuvelachtig
en afgezet in kavels. In een van de velden zag ze iemand op
een hek zitten. Een jongen met halflang donker haar en een
sleets blauw overhemd zat te kauwen op een grasstengel. Het
was Nuzi.
Toen hij haar zag aankomen, zwaaide hij. Het was geen uitbundig
gebaar, want hij zag aan haar gezicht dat ze overstuur was.
Elena versnelde haar pas en ging zonder een woord te zeggen
naast hem zitten. Ze negeerde zijn onderzoekende blik en bleef
in de verte staren totdat hij hetzelfde deed.
‘Het is niet eerlijk,’ zei ze na een tijdje. Haar
stem had de felheid verloren en ze klonk nu kalm en verdrietig.
‘Ik ben er nog niet klaar voor. Misschien ben ik wel
nooit klaar om iemands vrouw te worden, maar niemand heeft
eraan gedacht mij iets te vragen.’
Nuzi zweeg. Hij wist niets te zeggen, niets waarvan hij zeker
wist dat Elena er niet boos om zou worden. En hij wilde haar
hier houden. Uiteindelijk zei hij: ‘Waarschijnlijk loopt
het allemaal niet zo’n vaart. Het kan nog wel een jaar
duren voordat er een geschikte huwelijkskandidaat is gevonden.’
Hij besloot een risico te nemen.
‘Zo knap ben je tenslotte ook weer niet.’
Elena keek hem van opzij aan, onzeker. Toen ze zijn pretogen
zag, begon ze tot zijn opluchting hardop te lachen. Ze gaf
hem een por in zijn zij, waardoor hij bijna van het hek viel.
‘Hé, zeg!’ protesteerde Nuzi met gespeelde
verontwaardiging. ‘Je bent nog gewelddadig ook. Jij
komt nooit aan de man!’
Ze gaf hem nog een por, ditmaal een hardere waardoor hij zijn
evenwicht verloor en van het hek af viel. Hij kon haar nog
net meesleuren in zijn val.
Gillend en vechtend lagen ze in het gras. Zo hadden ze al
honderden malen gestoeid, maar dit keer voelde het voor Nuzi
anders. Hij voelde hoe haar lichaam op sommige plekken zacht
en rond was, zag hoe de spieren onder haar olijfkleurige huid
bewogen en voelde wat dat bij hem teweegbracht. Geschrokken
stopte hij met vechten en bleef een beetje besmuikt naast
haar liggen.
Net zoals de meesten van zijn vrienden had Nuzi wel enige
seksuele ervaring opgedaan met boerenmeisjes uit de omgeving.
Hoewel de hoeveelheid veroveringen van een zigeunerjongen
niet gold als een bewijs van zijn mannelijkheid, had hij een
gezonde drift en oog voor schoonheid. Bovendien was hij, omdat
hij gewend was aan veel nieuwe ontmoetingen, bedrevener in
het leggen van contact dan de stugge boerenjongens met wie
hij doorgaans moest concurreren.
Voor jongens was het huwelijk de enige initiatie tot volwassenheid,
tot de wereld van de Rom. Tot die tijd werden ze min of meer
vrijgelaten. Voor zigeunermeisjes lag het anders. In Romani
is het woord voor ‘meisje’ hetzelfde als voor
‘maagd’. De Rom gingen ervan uit maagden te trouwen.
‘Weet je,’ zei Nuzi met onvaste stem, ‘mocht
je nou echt het idee hebben dat je een oude vrijster wordt,
dan kun je altijd nog overwegen met mij te trouwen.’
Elena keek opzij, verwachtend om een plagende grijns te zien.
Die was er niet. Ze barstte in lachen uit en gaf hem nog een
laatste por voor ze opstond en het zand van haar rokken afsloeg.
‘Als ik ten einde raad ben en op de plank lig te verstoffen,
zal ik daar zeker aan denken,’ zei ze op ironische toon.
De zon had aan kracht gewonnen en Elena hief haar gezicht
er genietend naar op. Misschien had Nuzi gelijk en liep het
allemaal wel los. De mannen stonden niet bepaald voor haar
in de rij.
Gerelateerde artikelen
|
|