Columns - Column

Voltooid

Om te kunnen schrijven, moet je op dat moment denken dat je geweldig goed bezig bent – zoals je om een kuil te graven met elke schep moet kunnen vinden dat de kuil dieper wordt. Anders leg je je schep weg en ga je wat anders doen.

Later kun je besluiten de hele tekst weer te schrappen of de kuil dicht te gooien, maar dat is een ander verhaal. Elke schrijver denkt dat hij iets te melden heeft dat nog niet eerder gemeld is. Of in ieder geval nooit zo mooi en scherpzinnig. Tel daarbij op dat we, als we eens een bijdrage voor een tijdschrift schrijven, per woord worden betaald (zodat de overtuiging ‘veel woorden = goed’ zich in ons hoofd heeft genesteld) en je snapt hoe het mis is gegaan, egotechnisch gezien.
Schrijvers hebben, kortom, de illusie dat het ertoe doet wat ze vinden en dat het de mensheid zal veranderen. Dit leidt soms tot komische situaties. Neem schrijver T., die ik laatst sprak. Hij vertelde dat zijn manuscript bijna voltooid was. In deze kwestie spreken schrijvers van ‘voltooid’ en ‘volbracht’, nooit van ‘klaar’. Bovendien spreken ze wellicht bij anderen van diens nieuwe ‘boekje’, maar bij zichzelf nooit. Dat is gewoon een boek of, erger nog, een werk. Hoe dan ook, T. zei dat hij de laatste tijd erg oppaste in het verkeer. Ik ken het, deze gedachte: mijn boek is bijna af, ik mag nu niet doodgaan! Anders heb ik voor niets geleefd! Anders is er iets groots verloren gegaan voor de wereld! Het zijn wanen die horen bij de manie van de laatste fase in het schrijfproces – dit overigens in schril contrast met de middelgrote depressie die hoort bij het lezen van de derde lullige recensie, dus gun ons dat maar. 
Een andere schrijver, die tegenover me zat, laten we hem K. noemen, zei met een uitgestreken gezicht dat hij zijn geschreven aantekenboeken en handschriften (‘letterlijk man-u-script’, doceerde hij) in bewaring gaf aan het Letterkundig Museum. Te bewaren voor het nageslacht. Opdat de latere generaties van deze natie kennis kunnen nemen van het oerboek. En studenten Neerlandistiek scripties kunnen schrijven over hoe het meesterwerk tot stand is gekomen. Met moeite knikte ik begrijpend, al mompelend dat zoiets nou nooit in mij op zou komen en dat ik me al schuldig voel bij al het oud papier dat ik produceer en schuldbewust naar de papierbak breng.
Wie schrijft, die blijft, is de aanname. Dat is maar zeer de vraag. Boeken raken uit druk, worden verramsjt, belanden in antiquariaten, worden geel, gaan stinken, vallen uit elkaar en gaan tenslotte naar het sterfhuis van het Oud Papier. Tip voor de zelfingenomen grootheidswanende scribent: neem eens een kijkje op Markplaats en check voor hoeveel (of liever gezegd hoe weinig) geld je boeken worden aangeboden. ‘Gesigneerd en met een persoonlijke boodschap van de auteur zelf!’ Au.
Wie schrijft, blijft iets langer. Als hij geluk heeft.