Columns - Column
De draf erin zetten
Iedere keer als ik naar de sauna ga, moet ik iets van gêne overwinnen voor ik mijn badjas aan het haakje hang, terwijl ik mezelf vervloek om mijn preutsheid en besluit me er niets van aan te trekken. Zo vergaat het me ook elke keer als ik een seksscène moet schrijven. Het punt is: je weet dat je moeder het ook gaat lezen. En die buurman die altijd naar je tieten gluurt.
Bij de roman die ik nu aan het schrijven ben, moet het gevreesde rampetampen ook nog eens vanuit een man beschreven worden. Thomas is bovendien een querulant, een donkere, hedonistische figuur die de woorden ‘liefde bedrijven’ echt niet zonder te lachen uit zijn mond krijgt. Deze man heeft het over ‘neuken’, dat is duidelijk. Het moet gebeuren, want niets is erger dan een auteur die eindeloos erotische spanning opbouwt en het dan, bij het moment suprème, lafhartig uit de weg gaat: ‘Hij droeg haar naar het bed. De volgende ochtend...’ Het is de literaire variant van een filmcamera die bij de eerste liefkozingen van de acteurs naar de kledingstukken op de vloer zwenkt. Bloedirritant.
Zodra een schrijver zich van erotische passages bedient, gaan er bij lezers en recensenten een aantal wonderlijke mechanismen in werking. Aha, denkt men, dát vindt de auteur dus lekker! Nee, dat vindt het personage dus lekker. Bij, ik noem maar wat, een passage waarin iemand met smaak een zwezerik verorbert, denkt geen mens: zo, dus Susan houdt van zwezerik. Susan is vegetarisch, denkt de goedingelichte lezer dan misschien, maar dat betekent natuurlijk niet dat ze niet kan beschrijven hoe haar personage met smaak een zwezerik verorbert. Heus, wil ik maar zeggen, ik put niet uit mijn persoonlijke tussenlakense avonturen als ik schrijf. Ander merkwaardig mechanisme: men denkt dat de auteur zelf opgewonden wordt van eigen erotica. Een recensent durfde eens te schrijven dat Saskia Noort Nieuwe buren vast met één hand had geschreven, insinuerend dat de andere hand in haar broekje zat. De brutaliteit! Om heel oneerlijk te zijn: ik ben nog nooit opgewonden geworden van een erotische scène die ik zelf geschreven heb.
Bij de literaire coïtus is er allereerst de kwestie van de primaire voortplantingsorganen. Hoe ga je die in vredesnaam noemen? Gerard Reve is de onovertroffen kampioen van het creatief omschrijven van het mannelijk geslachtsdeel: ‘donkere ezelsroede’, ‘liefdesdolk’, ‘machtige knuppel’, ‘vuurroer der liefde’, ‘jachthoorn’, ‘liefdeshoorn van overvloed’. Of, mijn favoriet: ‘krijgskundige stormram’. De daad heet bij hem ‘der liefde schuiftrompet blazen’, ‘het gloeiende heilige vocht uitstoten’ of ‘de draf erin zetten’. Pure poëzie. Helaas wil Thomas daar allemaal niets van weten en noemt hij zijn roede steevast en teleurstellend pik.
Om mijn gêne voor eens en voor altijd te overwinnen,besloot ik onlangs een kort erotisch verhaal voor te dragen bij Nightwriters, de maandelijkse literaire avond in Panama. Ik had het ooit voor Margriet geschreven, me onderwijl handenwrijvend bedenkend hoe Thea al lezend op stoom kwam en de uren zou aftellen tot Piet thuiskwam van zijn werk en ze zich hem kon vergrijpen. Dat durfde ik vanachter mijn bureau wel te bekokstoven, maar op een podium dergelijke smeerlapperij hardop voorlezen, is toch een stap verder. Het ging desalniettemin geweldig. Terwijl ik het had over de ‘fluweelzachte kwellende strelingen van zijn tong’ en hoe zij ‘onder zijn handen niets anders kon doen dan schokken en trillen’ verschenen er achter me beelden van smaakvolle, smachtende vrouwen. Het publiek at uit mijn hand – dat wil zeggen, tot de passage waarbij het de bedoeling was dat er honderden rozenblaadjes uit de lucht kwamen dwarrelen. Ik pauzeerde even en daar kwamen de rozenblaadjes. Het kwam als één compact topzwaar pak naar beneden donderen en lag als een onaangekondigde, premature zaadlozing voor mijn voeten. Ik haalde diep adem en las verder. Het blijft tobben.













