Terug
naar overzicht
Spirituele intelligentie
Wat is dat nou eigenlijk, spiritualiteit? Journaliste
Susan Smit kreeg de opdracht haar spirituele intelligentie
te verhogen.
Nieuwetijdskinderen schijnen het te hebben, Oprah ook.
De Dalai Lama en Nelson Mandela vast en zeker: spirituele
intelligentie. De intelligentie waarmee we zin geven
aan ons bestaan, verbanden zien en leren van onze ervaringen.
Spiritueel zijn lijkt tegenwoordig het grootste compliment
dat je iemand kunt geven. Wie aan yoga doet, de laatste
Deepak Chopra gelezen heeft en zichzelf van tijd tot
tijd existentiële vragen stelt, moet wel een warm
en goed mens zijn. Is het zo simpel? Ik ken een makelaar
die iedere ochtend een kwartier op zijn Zen-kussentje
mediteert om vervolgens zoveel mogelijk mensen een financiële
poot uit te draaien.
Halverwege de jaren negentig introduceerde Daniel Goleman
het begrip emotionele intelligentie. Het was alsof iedereen
al jaren op deze vinding zat te wachten, want het boek
werd een internationale bestseller, Goleman werd een
bekendheid en bedrijven gingen massaal EQ-testjes afnemen.
Een hoog IQ en een fijne opleiding waren plotseling
niet meer genoeg. Voor een beetje baan moest je beschikken
over een flinke portie empathie, zelfbewustzijn en sociale
vaardigheden. Voordat er ook maar een persoonlijk woord
met ze gevoerd was, werden sollicitanten in EQ-testen
geconfronteerd met vragen als: «Je hebt een belangrijke
zakenafspraak, je bent al laat en terwijl je met je
aktentas over straat rent, zie je een verdwaald kind
huilen. Wat doe je?» Wat willen hun potentiële
werkgevers in godsnaam horen? Dat ze zich niet laten
afleiden en hun afspraken nakomen, of dat ze een padvindersmentaliteit
hebben die het bedrijf uiteindelijk ook ten goede zal
komen? «Zonder een gezond EQ kun je je IQ niet
volledig gebruiken», schrijft Goleman. Als de
hersengebieden waarmee we voelen beschadigd zijn, denken
we namelijk minder goed. De sollicitanten hadden dus
moeten kiezen voor het huilende kind.
Danah Zohar – moeder van twee, psycholoog, natuurkundige
en filosoof – maakt het allemaal nog ingewikkelder.
Personeelschefs zouden naar een intelligente ziel moeten
zoeken in plaats van een hoog IQ en EQ, vindt ze. Bedrijven
die zich alleen richten op rationele en sociale vaardigheden,
en niet op diepere zingeving, visie en waarden, zullen
het niet redden in de snel veranderende zakenwereld.
Net zoals de echte wereld - waar spiritualiteit een
steeds prominentere plek opeist - zal ook de zakenwereld
voor de bijl gaan. Multinationals als Shell en Volvo
laten zich door Zohar adviseren, dus zij zal het wel
weten.
In haar boek Spirituele intelligentie. De kwaliteit
die grenzen verlegt, dat deze maand bij Kosmos-Z&K
Uitgevers verschijnt [red: eind april], doet Zohar uit
de doeken wat spirituele intelligentie is, hoe we het
kunnen ontwikkelen en hoe we daarmee een beter leven
voor onszelf creëeren. Mijn opdracht is om een
hoger SQ te verwerven, gebruik makend van de tips van
mevrouw Zohar. Twee dagen nadat het manuscript bezorgd
is, begin ik te lezen: «Computers hebben een hoog
IQ: ze kennen de regels en kunnen die volgen zonder
fouten te maken. Dieren hebben vaak een hoog EQ: ze
voelen de situatie waarin ze zich bevinden aan en weten
hoe ze er adequaat op moeten reageren. Maar computers
noch dieren vragen naar het waarom van deze regels of
situatie, en ze vragen evenmin of het ook anders of
beter zou kunnen.» Aha. Zij werken binnen de grenzen
van het spel, terwijl een spiritueel intelligent persoon
de kwaliteit heeft om, volgens de ondertitel van het
boek, ‘grenzen te verleggen’.
Spirituele intelligentie blijkt zelfs meetbaar te zijn.
Wetenschappers aan de Universiteit van Californië
hebben een heuse ‘God spot’ in de menselijke
hersenen ontdekt, die zich binnen de neurale verbindingen
in de temporaalkwabben van de hersenen bevindt. Iedere
keer als we iemand als de Dalai Lama proberen te begrijpen,
lichten deze gebieden op. Een spirituele G-spot die
reageert op prikkeling - mooier kan het toch niet? Opgetogen
besluit ik mijn vriendje, een rationeel ingestelde atheïst,
op de hoogte te brengen. Eindelijk heb ik wetenschappelijk
bewijs in handen dat mijn betogen over het bestaan van
een ziel kracht bij zal zetten. Alleen de Wet van Behoud
van Energie (de hoeveelheid energie in de kosmos blijft
altijd gelijk, en kan alleen van vorm veranderen), bracht
hem ertoe de mogelijkheid van een voortbestaan na de
dood te onderzoeken. Na jarenlange discussiesessies
in de avonduren - die een magere vooruitgang van «nee»
naar «mogelijk» hebben bewerkstelligd –
besluit ik de arena weer binnen te gaan.
|
«Zo’n God spot
bewijst niet dat er iets hogers bestaat,»
zegt hij op irritant kalme toon na mijn verhitte
betoog, «alleen dat er een menselijke
behoefte aan iets hogers bestaat.»
Maar zegt het dan niet iets dat onze hersenen
zijn uitgerust voor zingeving? Dat het een deel
van ons is? Geef nou maar toe, we zijn spirituele
wezens, of we willen of niet.
«Het belangrijkste verschil tussen dieren
en mensen is dat wij ons bewust zijn van onze
sterfelijkheid … » begint hij zijn
stokpaardje te beklimmen. Hij praat van de angst
voor de dood en het Grote Niks. De menselijke
wil om de zaak onder controle te hebben. Het
gissen naar wenselijke alternatieven. Oké,
het ziet ernaar uit dat ik hem ook deze keer
niet zal bekeren. Maar er is een kleine winst
geboekt: hij is bereid toe te geven dat er zoiets
als spirituele intelligentie bestaat, en dat
spiritueel intelligente mensen hem wel bevallen.
«Daarom ben ik ook zo blij met jou»,
voegt hij er op verzoenende toon aan toe. |
 |
Als ik al zou beschikken over een aardig SQ, zoals mijn
vriend schijnt te denken, dan kan het altijd nog beter.
«Mensen met hoog SQ staan open voor verschillende
mogelijkheden», zegt Danah Zohar in een interview
met de Britse krant The Observer. «Ze vragen zich
het waarom af en zoeken fundamentele antwoorden. Ze
leggen verbanden, zijn in staat the big picture te zien
en gebruiken tegenspoed ten goede.» Het is duidelijk
dat mijn SQ’tje voor verbetering vatbaar is. Aan
de slag dan maar.
Zohar vraagt me halverwege het boek een vragenlijst
in te vullen die correspondeert met de zes persoonlijkheidstypen
van de bekende Amerikaanse psycholoog J.L. Holland.
Het is de meest gebruikte beroepskeuzetest ter wereld.
Vind ik het fijn met anderen samen te werken? (nee)
Vind ik het prettig met anderen te moeten concurreren?
(nee) Ben ik voorzichtig met kritiek en laat ik het
niet onmiddellijk merken als ik het niet met iemand
eens ben? (nee) Dan komt het zogenaamde kunstzinnige
persoonlijkheidstype aan bod. Elf van de twaalf vragen
moet ik met ‘ja’ beantwoorden. Het is duidelijk.
Ik hoor - samen met 10 tot 20 procent van de wereldbevolking
- bij het type mens dat slordig, emotioneel, impulsief
en idealistisch is. «Het kunstzinnige type is
onafhankelijk en intuïtief, en heeft er geen moeite
mee zijn verbeeldingskracht de vrije loop te laten.
Onder deze mensen bevinden zich schrijvers, musici en
kunstschilders, maar ook goede journalisten, ontwerpers,
kunstcritici en acteurs.» Ik weet niet wat Zohar
bedoelt met ‘goede journalisten’, maar ik
hoop dat ik er één ben.
Als kunstzinnig persoonlijkheidstype kan ik mijn SQ
vergroten door het zogenoemde ‘pad van de persoonlijke
transformatie’ te bewandelen. Dat wil zeggen dat
ik het goede en het slechte van mezelf moet leren kennen.
Ik moet mijn diepste Zelf ontdekken (ver voorbij het
ego), inclusief mijn donkere kanten. Ik moet openstaan
voor mystieke ervaringen. Ik moet leren om pijn, lijden
en slechtheid onder ogen te zien. Ik dien te gaan tot
het uiterste. «Leg je hoofd tussen de kaken van
een demon», spoort Zohar me aan. En ondertussen
moet ik me vasthouden aan een partner, gezin, werkschema
en discipline om niet compleet krankzinnig te worden.
Volgens mij zal ik ze hard nodig hebben.
De opdrachten komen me pijnlijk herkenbaar voor. Met
mijn bereidheid om slechtheid en lijden onder ogen te
zien is het inderdaad belabberd gesteld. Mijn ogen zelf
zijn daar het bewijs van. Volgens Debbie Shapiro, auteur
van Het lichaam-geest werkboek, «trekt het gezichtsvermogen
zich terug bij een onvermogen om de realiteit onder
ogen te zien». Als tiener ontwikkelde ik een oogafwijking
die doorschoot naar –10. De contactlenzen, die
ik uit ijdelheid droeg, moesten om het half jaar vervangen
worden voor steeds sterkere. Het lichaam staat - daar
ben ik zeker van - in directe verbinding met de geest.
De ogen zijn de ramen naar de wereld en naar jezelf.
Het functioneren van de ogen weerspiegelt hoe je als
mens in de wereld staat.
Ik ben zo iemand die de helft van een enge film met
haar handen voor haar ogen zit. Ik sla de al te gruwelijke
nieuwsberichten in de krant over. Ik heb jaren in een
buurt gewoond waar ik - soms letterlijk – over
de junks heen moest stappen om de straat uit te komen.
Wat ik ook deed - zonder om te kijken. Vrienden moeten
me heel erg belazeren, wil ik ze uit mijn telefoonboekje
schrappen. Een helderziende waarschuwde met jaren geleden
al: «Je bent op het lichte pad van liefde en ervaring.
Dat kan je goedgelovig en naïef maken. Wees je
bewust van je geluk. Besef dat de andere, duistere kant
er ook is, zodat je er niet op de harde manier op gewezen
hoeft te worden.» Tot nu toe heb ik mijn luchtige
leventje kunnen leiden in heerlijke onwetendheid. Het
ziet ernaar uit dat ik de duisternis moet opzoeken.
Danah Zohar, die ik besluit te bellen om hulp, pakt
het probleem in rake bewoordingen aan. «Pijn en
slechtheid negeren is een keuze. Jij wilt een soort
Mary Poppins-onschuld bewaren, zodat je alle moeilijke
en nare dingen niet onder ogen hoeft te zien. En zodat
je je eigen donkere kant ook lekker kan blijven wegstoppen.»
Ai. Van deze mevrouw hoef ik geen aai over mijn bol
te verwachten. «Daarin ben je niet de enige,»
gaat ze verder, «onze maatschappij doet hetzelfde.
Haar donkere kant zit opgesloten in gevangenissen en
gekkenhuizen. Ze worden weggestopt, zodat we er niet
meer aan hoeven te denken.»
Ineens begrijp ik het. Ik heb het Grote Lijden aan me
voorbij zien trekken zonder dat ik het werkelijk zag.
Of eigenlijk: wilde zien. Vrouwen als Lulu Wang en Zhimin
Tang wreven me de wreedheden van de Culturele Revolutie
in China onder mijn neus; Max Moszkowicz vertrouwde
me toe hoe hij in Auschwitz gedwongen werd naar een
ophanging of marteling te kijken; de Cambodiaanse Loung
Ung vertelde hoe ze als tienjarig weesmeisje als kindsoldaat
voor het Rode Khmerleger werkte; ik heb een trillende
Ozzy Osbourne, meer dood dan levend, horen vertellen
over de demonen die hem in zijn slaap lastig vielen.
Met een opnamerecorder en notitieblok als schild, en
professionaliteit als excuus, heb ik nooit werkelijk
hun pijn onder ogen gezien. Want dat zou betekenen dat
ik mijn eigen pijn moest erkennen.
Ik zal de duisternis in mezelf onder ogen moeten zien.
«Omarm de heks in jezelf, zet een stoel bij, nodig
haar uit aan tafel», heeft Tori Amos ooit gezegd.
«Er bestaan geen kwaadaardige mensen op zich,»
schrijft Zohar, «maar ieder van ons is in principe
tot kwaad in staat.» Wat is het slechtste dat
ik ooit gedaan heb? Verder dan treiteren, mijn ouders
tot wanhoop drijven door als tiener te verdwijnen en
het stelen van een lipstickje kom ik niet. Ik ben dan
ook nooit uitgedaagd om een werkelijke keuze te maken
tussen goed en kwaad, omdat het me altijd voor de wind
gegaan is. Ben ik wel de goedzak waarvoor ik mezelf
houd? We vormen een beeld van onszelf over hoe we zouden
willen zijn. Maar is dat de hele waarheid?
«Je donkere kant is een onderdrukte kant van het
Zelf», legt Zohar me uit. «Niemand wordt
geboren met een donkere kant. Het is de kant van ons
die niet mag groeien in het licht, zodat het gaat infecteren
als een wond. Door de donkere kant als een deel van
jezelf te accepteren, haal je de angel eruit. Het echte
kwaad verdwijnt. Je zal het nooit kunnen transformeren
tot een goede kant, want dan vraag je het om iets te
worden wat het domweg niet is. Maar we kunnen het wel
accepteren. Het is oké.»
De weg naar een nauwkeuriger zelfbeeld zijn je dromen,
tipt Zohar me. «Het is ironisch,» zegt ze,
«door in slaap te vallen, door je bewustzijn te
laten varen, zul je je het duidelijkst bewust worden
van je werkelijke aard.» In de nachten die volgen
schrijf ik droomflarden onmiddellijk op in een schrift
dat op mijn nachtkastje ligt. Soms midden in de nacht,
wat mijn eerdergenoemde vriendje tot wanhoop drijft.
Mijn dromen worden steeds sterker en helderder. Het
is wel even schrikken waartoe mijn droom-ik in staat
is. In seksdromen schakelt ze moeiteloos over van de
ene gezichtsloze partner naar de andere. Ze geeft onbetrouwbare
mensen lik op stuk. Bij conflicten gaat ze, als een
soort Lara Croft, onmiddellijk over tot een robbertje
vechten. In mijn waakleven zou ik best wat van die droom-Susan
kunnen gebruiken. En waarom zou ik dat niet doen? Tenslotte
is ze deel van me, als ik Zohar mag geloven.
Ik besluit maar eens te beginnen met het naar buiten
brengen van mijn scherpe kantjes, in plaats van ergernis
en pijn weg te rationaliseren. Weg met Mary Poppins!
In plaats van te denken «ze bedoelt het vast niet
zo», vraag ik na een onhandige opmerking stekelig
hoe ik dat nu weer op moet vatten. Mijn buurman, die
me ervan verdenkt zijn krant van de trap te pikken,
dien ik van repliek. Mijn omgeving mag dan niet altijd
blij zijn met de metamorfose («Wat ben je eigenwijs
de laatste tijd»); ik voel me er heerlijk bij.
Een vollediger persoon. De heks in mij heeft net zoveel
recht te bestaan als de engel.
Ik had nooit gedacht dat ik spiritueel bezig ben als
ik het kreng uithang. Bij spiritualiteit denk ik eerder
aan altruïstische types met een eeuwige glimlach
spelend om hun mond. Maar eigenlijk is dat een hele
christelijke gedachte. In het christelijke geloof staat
de duivel symbool voor het slechte - als iets dat buiten
onszelf staat. Van de rest wordt verwacht dat ze lelieblank
en maagdelijk zijn. Een nogal onvolwassen beeld van
de mensheid. Als we voortdurend proberen om de goede
fee te spelen, splijten we onszelf in tweeën. We
wijzen de helft van onze energie, creativiteit en pijn
af. Toen ik Meredith («I’m a bitch, I’m
a lover») Brooks een paar maanden geleden sprak
naar aanleiding van haar album Deconstruction, legde
ze me nog één keer uit dat ze geen akelig
mens was. «Wie goed naar de tekst van Bitch luistert,
hoort dat ik juist de verschillende kanten van mijn
persoonlijkheid eer. Zorgzaam, sexy, gemeen, kwetsbaar
en weet ik wat al niet meer. Als het maar oprecht is.»
Vannacht droomde ik dat mijn tanden uitvielen. Volgens
de Droomencyclopedie van Pamela Ball «een aanwijzing
dat we ons ervan bewust zijn dat we een of andere overgang
doormaken». Voor mij het bewijs dat ik op weg
ben naar een hogere spirituele intelligentie. Spiritueel
zijn betekent in essentie heel zijn. Doordat ik mijn
donkere kant – mijn vechtlust, ambitie en eerzucht
- niet langer negeer, ben ik een completer mens. Ik
kan, zoals Zohar dat noemt, handelen vanuit mijn persoonlijke
centrum. Dat kun je niet doen als je een soort Berlijnse
Muur in je persoonlijkheid hebt. Onze donkere kant hoort
bij ons. Op het moment dat je haar erkent, wil je niemand
meer pijn doen, want je realiseert je dat er iets van
die ander in jezelf zit. Van iedereen - ook al is het
een monster, of een lafaard, of een bitch. Je accepteert
hun fouten en tekortkomingen. En dat is volgens mij
ware spirituele intelligentie: vergeven en meevoelen
met anderen, en jezelf. Zoals Danah Zohar zegt: «We’re
all in this thing together.»