Terug
naar overzicht
'Ik integreer me suf'
Cabaretière en columniste Nilgün Yerli (29)
was vijftien toen ze de keuze maakte in Nederland te
blijven, terwijl haar familie terugging naar Turkije.
In hetzelfde jaar overleed haar moeder. 'Gemis is een
deel van me geworden'.

Foto : Noëlle van der
Lende |
Amper
twee weken na de aardbeving in Turkije lijkt
het medeleven van de Nederlanders alweer opgedroogd.
Cabaretière en columniste Nilgün
Yerli kan dat maar moeilijk verkroppen. Het
leven gaat door, natuurlijk, en we hebben toch
maar mooi dertig miljoen gulden bij elkaar gebracht.
Maar in de krant van vandaag wordt met geen
letter gerept over de ramp.
Yerli: 'Op de avond van de aardbeving was ik
in Turkije. Ik logeerde bij familie in Izmir
- niet in het epicentrum Izmit, zoals veel Nederlandse
vrienden dachten - toen alles 's nachts ineens
begon te rammelen. De electriciteit viel uit.
Iedereen verliet de flat in paniek, maar na
een uurtje konden we weer gaan slapen. De volgende
ochtend begreep ik pas dat er niet zo ver bij
me vandaan een ramp had plaatsgevonden. Half
Izmit was ingestort. Iedereen had wel iemand
verloren - een zus, een oom, een vroeger buurmeisje.
Het vlieguig waarmee ik van Izmir naar Ankara
vloog, zat vol met mensen die tussen het puin
wilden gaan zoeken of naar een begrafenis gingen.
Drie van mijn vriendinnen waren zoek, dus ik
zat midden in het leed. Inmiddels zijn ze gelukkig
weer terecht.'
Een dag na haar terugkeer in Nederland stond
ze alweer op de UIT-markt. 'Leuk te doen.' |
Als Turkse wilde ze tijdens haar optreden niet voorbij
gaan aan de rouw waarin haar moederland gedompeld was.'Ik
heb heel lang getwijfeld hoe ik dat onder de aandacht
moest brengen. Wat moest ik zeggen? Jongens, stort wat
op giro 797 en daarna gaan we lachen? Dat kon niet.
Uiteindelijk ben ik het optreden geëindigd met
een stukje over de dood, waarna ik even heb stilgestaan
bij de aardbeving. De doden haal je er niet mee terug.
Het zijn de levenden waar we ons om moeten bekommeren.
Bij de landelijke televisiecampagne, waaraan ik heb
meegewerkt, was een Turks meisje dat op vakantie in
Turkije haar vader, moeder en broer was verloren. Ze
moest in haar eentje terug naar Nederland en zelfs zij
kon zeggen: ik moet verder. Dat klinkt misschien hard,
maar het is waar.'
Dat weet Yerli beter dan haar lief is. Op haar vijftiende
verloor ze haar moeder. Het verdriet leek te groot om
te incasseren, maar uiteindelijk hervond ze haar evenwicht.
Als twaalfjarig meisje had ze nog tegen haar moeder
gezegd: als jij ooit dood gaat, dan overleef ik het
niet. Ze was een kind, en nog een stout kind ook, maar
'als het moet, vind je de kracht wel.'
Yerli moest haar verdriet op afstand verwerken. Na vijf
jaar Nederland - haar vader was als onderwijsinspecteur
in het kader van een uitwisselingsproject naar Heerenveen
gezonden - wilde ze niet meer terug. Bovendien zou ze
hier beter onderwijs kunnen genieten. De rest van het
gezin vertrok naar Turkije en Nilgün werd op een
kostschool in Overijssel geplaatst. Nog datzelfde jaar
overleed moeder Yerli. 'Het gemis is een deel van me
geworden. Ik was inmiddels gewend om mijn Turkse tantes,
neven en nichten te missen - dat deed geen pijn meer.
De pijn van het definitieve afscheid van mijn moeder
zal altijd bij me blijven. Ik wil het ook niet kwijt.
Het hoort bij me.'
In de vijf jaren die het gezin Yerli in Nederland verbleef,
was Nilgün de enige die kon aarden. In Turkije
waren ze welgesteld en gerespecteerd: haar broer en
zus studeerden aan de universiteit, haar vader had een
goed salaris. Hier waren ze opeens domme buitenlanders.
In de Heerenveense woonwijk was er zelfs een discussie
op gang gebracht of ze wel een Turks gezin in hun midden
konden accepteren. Haar zus, die verlangde naar haar
verloofde in Ankara, kwam in een naaiatelier terecht
en haar broer in een fietsenfabriek. 'Alleen ik vond
het prachtig. En nog steeds. Als ik op vakantie in Turkije
ben, wat ik vijf, zes keer per jaar doe, mis ik Nederland
intens. Ik hou van regen. Ik bedoel niet dat ik het
niet erg vind als het regent, nee, ik hou van regen.
Hitte is niets voor mij, dan voel ik me net een bloemetje
dat verwelkt. Turkije is mij gegeven, maar voor Nederland
heb ik gekozen.'
Het frisse Nederlandse klimaat geeft haar energie. In
het kantoortje boven haar huis in Haarlem, waar ze alweer
ruim vier jaar woont, werkt ze achttien uur per dag.
Ze schrijft columns voor Het Parool, Utrechts Nieuwsblad
en de VPRO-radio en werkt aan een theaterprogramma voor
haar vriend Mark Koudijs. 'Over het leven met een Turkse
vrouw - dat hij zijn handen niet mag wassen op de plek
waar het eten wordt bereid, en dat ik om elf uur 's
avonds nog vraag of gasten willen eten, enzo.'
Met diezelfde Mark Koudijs trekt ze met het programma
Turkse Troel Integreert ('Ik integreer me suf') langs
scholen, universiteiten, bedrijven, buurthuizen en theaters.
Nadat het theaterduo Turkish Delight ophield te bestaan,
zocht ze een nieuwe theaterpartner. Ze prikte een briefje
op bij de Kleinkunstacademie, en bij audities wist Mark
altijd precies waarom iemand niet geschikt was. Na zeven
kandidaten afgewezen te hebben, vroeg ze Mark om zelf
eens op het podium te gaan staan. Ze hoefde niet verder
te zoeken.
Samen gaan ze de strijd aan met vooroordelen. Niet meer
alleen vooroordelen over nationaliteit zoals ze dat
met Turkish Delight deed ('Turken slachten schapen op
het balkon en Surinamers zijn lui'), maar ook die over
homo's, verslaafden en bejaarden komen aan bod. Humor
is de beste methode om vooroordelen te bestrijden, vindt
ze. Ook zij heeft vooroordelen, daar is ze zich goed
van bewust. Als ze een oudere vent met een jong ding
ziet lopen, denkt ze: o, die zal wel geld hebben. Terwijl
ze op haar tweeëntwintigste zelf een vriend van
vijftig heeft gehad. 'Inmiddels ben ik zover, dat ik
denk dat het helemaal niet erg is om vooroordelen te
hebben. Zolang je beseft dat jouw mening geen feit is,
en zolang je er niet naar handelt, mag je lekker generaliseren.
Wij mensen houden van makkelijk. Op het moment dat ik
jou in een hoekje duw, hoef ik niet meer na te denken.
Iedereen als individu analyseren kost meer denkvermogen,
en daar hebben we helemaal geen zin in.'
Vanaf begin oktober gaat ze met haar soloprogramma Wat
zeg ik? op tournee. Voor het eerst met een heuse regisseur
(Leoni Jansen) en muzikale begeleiding. 'De tijd van:
"ik ben een Turks meisje en ik wil zo graag"
is voorbij.'
In dit programma laat ze het discriminatievraagstuk
voor wat het is en gaat op zoek naar de grenzen van
goed en kwaad. Goed en kwaad kennen immers geen nationaliteit.
Net zoals geboorte en dood. Laatst zat ze in de jury
van een cabaretwedstrijd voor jongeren van twaalf tot
achttien jaar. Alleen maar poepen, neuken en fistfucken.
Het ergste was nog dat iedereen het leuk vond. Haar
eigen programma heeft naast grappen ook diepgang - daar
zullen ze toch niet voor weglopen? 'Misschien klink
ik als een ouwe taart, maar het lijkt wel of oppervlakkigheid
norm is geworden. In de kroeg kun je niet meer echt
praten; stel je voor dat we het echt ergens over moeten
gaan hebben. Ook relaties zijn vluchtig. Vroeger in
Turkije vroeg een jongen of zij zijn meisje wilde zijn,
dan zei ze ja en dan hadden ze een relatie. We leven
nu in het we-zien-wel-tijdperk. Het is al keihard werken
om een relatie op te bouwen; het is volkomen onmogelijk
als je niet zeker weet of je wel een relatie hebt. Ook
ik heb jarenlang meegedaan met die terreur. Terwijl
ik eigenlijk ontzettend wilde cocoonen: op de bank,
popcorn, videootje erin en klaar. De eerste jongen aan
wie ik toegaf dat ik een relatie met hem wilde, was
Mark. Tot mijn verbazing zette hij het niet op een rennen,
maar is hij gebleven.'
Hoe lastig ze het ook vind om alleen gezien te worden
als allochtoon, Turks zijn is haar handelsmerk. 'Ik
kan niemand kwalijk nemen dat ik een stigma heb,' zegt
ze, 'als Turkse troel werk ik daar zelf aan mee. Ik
vind het nu eenmaal leuk om daarmee te spelen. Dat heeft
wel tot gevolg dat ik vaak voor dingen wordt gevraagd
als Turkse, niet als Nilgün Yerli. Toen ik columns
voor Het Parool mocht schrijven, werd me vaak gevraagd
waarom ík nu juist die kans kreeg. Er waren toch
genoeg columnisten? Zou het iets te maken hebben met
het feit dat een Amsterdamse krant een gekleurd gezicht
wilde hebben? Natuurlijk, denk ik dan, mijn afkomst
zal zeker geholpen hebben. Maar daarna moest ik me wél
waarmaken. Misschien nog wel meer dan een ander. Als
ik kritiek heb op ons land, krijg ik enorm veel kwade
reacties, terwijl Freek de Jonge er zomaar op los kan
schelden. Bij hem horen ze de ironie. Op het podium
lukt me dat ook, maar zo zwart op wit met een foto van
dat Turkse hoofd erboven nog niet.'
Niet alleen in Nederland heeft ze te maken met vooroordelen
('Waar komt je vriendin vandaan? Turkije? Mag ze dan
wel met je trouwen van haar vader?'), ook in Turkije
wordt ze als Nederlandse in een hokje geduwd. 'In Turkije
ben ik eens met een Turkse jongen uitgegaan. Hij had
gestudeerd, dus ik vermoedde dat het wel een intelligente
jongen zou zijn. Eenmaal thuis, begon hij me enthousiast
richting bed te duwen. Toen ik protesteerde was het:
"Kom op, dat ben je toch wel gewend in Nederland?"
In een restaurant dachten kennissen dat ik niet wilde
meebetalen, omdat ik als Nederlandse wel zuinig zou
zijn. De ene Fatima is de andere niet, zoals ook niet
elke Truus hetzelfde is. Daar blijf ik tegen vechten.'