|
Terug
naar overzicht
Loung Ung
Toen
ze tien jaar oud was, had de Cambodiaanse Loung
Ung (29) meer ellende achter de rug dan de meeste
mensen in hun hele leven zullen meemaken. De
guerrillatroepen van de Rode Kmer verdreven
haar uit haar stad, en vermoorden haar vader,
moeder, broer en zus. Ze werd opgeleid tot kindsoldaat,
voorkwam ternauwernood een verkrachting en vluchtte
in een gammel vissersbootje naar het westen.
Twintig jaar later reist ze de hele wereld over
als woordvoerder van de Campaign to Ban Landmines
(dezelfde waar Prinses Diana zich sterk voor
maakte) en schreef haar memoires in het hartverscheurende
First they killed my father. |
 |
Toen Lung Ung op haar tiende jaar voet op de vaste grond
van Vermont, Canada zette, beloofde ze zichzelf dat
haar leven vanaf dat moment normaal zou zijn. Ze had
vier dagen geknield in het vooronder van een gammel
vissersbootje gezeten, dat gebukt ging onder het gewicht
van achtennegentig Cambodiaanse vluchtelingen. Door
de patrijspoorten van haar drijvende doodskist, zoals
ze het bootje noemde, zag ze de haaien langszwemmen
waarvan ze dacht dat die haar vast en zeker zouden opeten.
Maar ze overleefde - zoals ze vijf jaar lang de terreur
van de soldaten van de Rode Kmer had overleefd. Zij
en haar broer Meng waren vrij. Nadat de aanvraag voor
politiek asiel in de Verenigde Staten was gehonoreerd,
kon haar leven beginnen.
De eerste jaren in haar nieuwe land deed ze haar uiterste
best om een gewoon Amerikaans meisje te zijn. Ze leerde
perfect Engels spreken, werd cheerleader, hing rond
met haar vrienden en at pizzaslices. Na school paste
ze op de twee kinderen van haar broer en zijn vrouw
Eang. Brieven van achtergebleven familieleden beantwoordde
ze niet. De herinnering aan het bloeddorstige Cambodja
en de dood van haar familieleden raakten langzaam op
de achtergrond. Loung Ung: "Ik wilde niets liever
dan lijken op al die vrolijke meisjes uit mijn klas.
Ik krulde mijn haar en maakte mijn ogen op in de hoop
dat ze er rond en westers uit gingen zien. Mijn herinneringen
pasten niet bij mijn nieuwe leven, dus ontkende ik ze
simpelweg. Als ik er niet aan dacht, bestonden ze niet.
Dat lukte me wonderbaarlijk goed, tot ik mijn eerste
menstruatie kreeg. Terwijl mijn kinderlijke lichaam
veranderde in dat van een vrouw begon ik me dingen te
herinneren. Als meisje was ik tamelijk onzichtbaar,
maar als vrouw kon ik me niet meer verstoppen. Jongens
begonnen naar me te kijken, en dat maakte alles los.
In Cambodja betekende het niet veel goeds als mensen
naar je keken. Als je teveel opviel tussen andere mensen
liep je gevaar. De Rode Kmer wilde het volk gelijkschakelen.
Iedereen die afweek, door een lichtere huidskleur of
een meer dan gemiddelde intelligentie, werd een kopje
kleiner gemaakt."
De beelden kwamen met zo'n enorme kracht terug dat Loung
een paar keer probeerde zelfmoord te plegen. "Ik
wist niet hoe ik om moest gaan met de nachtmerries en
angsten. Mijn geest speelde speeltjes met me. Ik wist
niet meer wat echt was en wat niet. Als ik op straat
liep was ik ervan overtuigd dat ik werd achtervolgd
en dat iemand me wilde vermoorden. Ik leefde in voortdurende
doodsangst. Het enige wat me ervan weerhield om er werkelijk
een einde aan te maken, waren mijn twee nichtjes. Mijn
broer en zijn vrouw, bij wie ik woonde, werkten de hele
dag om de eindjes aan elkaar te knopen. Ik zorgde voor
hun twee kinderen. Het voelde alsof het mijn eigen baby's
waren. Ik kon het niet over mijn hart verkrijgen om
ze in de steek te laten. Op een keer had ik een handvol
pillen naar binnen gewerkt, maar toen een van de meisjes
begon te huilen, braakte ik alles toch maar weer uit.
Iemand moest toch haar luier verschonen?"
In een poging haar verleden te verwerken, bezocht ze
verschillende psychiaters. In plaats van het gevoel
begrepen te worden, voelde het alsof ze hen geschiedenislessen
gaf. Op het dieptepunt van haar crisis ontdekte ze de
helende kracht van het schrijven. Nadat ze het eerste
woord op papier had gezet, schreef ze maandenlang aan
één stuk door over haar ervaringen. Ze
schreef tijdens de lessen op school, in de lunchpauze
en thuis op haar kamertje. In de derde persoon - om
afstand te houden tussen het kleine kwetsbare meisje
en de jonge vrouw die ze was. Elke keer als ze over
haar verleden schreef, kwam ze een stukje dichter bij
de waarheid. Toen ze elk schrijnend detail, elk pijnlijk
beeld had beschreven, stopte ze het dikke pak papier
in een la en dacht dat ze het achter zich kon laten.
Ze kon niet weten dat oorlogstrauma's opnieuw en opnieuw
geheeld moeten worden.
Toen ze na haar studie Politicologie ging werken bij
een opvanghuis voor mishandelde vrouwen, werd ze opnieuw
geconfronteerd met haar verleden. "Ik zag de blik
in hun ogen, ik herkende hun verdriet. Geweld dat in
een land, op straat of thuis toegebracht wordt, is niet
zo verschillend. Het heeft allemaal te maken met macht,
honger, hebzucht en angst. Voor de slachtoffers voelt
het hetzelfde. Al die vrouwen die ik ontmoette hadden
hetzelfde doorgemaakt als ik. Allemaal hadden ze hun
ervaringen weggestopt onder een dikke laag stof, totdat
ze niet anders konden dan ze onder ogen te zien. Dat
was een openbaring voor mij. Ik had altijd gedacht dat
niemand mij zou kunnen begrijpen, dat ik mijn verhaal
alleen in mijn dagboeken kwijt kon. Plotseling wist
ik dat er duizenden vrouwen waren zoals ik, en dat er
iets moest gebeuren met dat pak papier."
Het kostte haar bijna een jaar om haar dagboeken te
bewerken tot een boek. Het resultaat is het prachtige,
verontrustende First they killed my father, dat deze
maand in maar liefst acht landen uitkomt, waaronder
Nederland. "Ik voelde een diepe verantwoordelijkheid
om naar buiten te brengen wat ik had meegemaakt. Jarenlang
hoopte ik dat iemand anders zich zou uitspreken over
de gebeurtenissen in Cambodja. Maar dat gebeurde niet.
Toen besloot ik dat ik die iemand anders dan maar moest
zijn. Het was tijd om naar buiten te treden. Dat was
het minste wat ik als overlevende kon doen."
"Weet je, ik heb zo'n geluk gehad. Ik had al honderd
keer dood kunnen zijn. Er zijn momenten geweest waarop
ik een millimeter van de dood verwijderd was. Op een
middag schuilde ik met een vriendin in een kelder omdat
de Vietnamezen bommen gooiden op Cambodiaans grondgebied.
Plotseling was er een enorm lawaai en toen ik naast
me reikte naar waar het hoofd van mijn vriendinnetje
had moeten zitten, was er niets meer. Ik had geen schrammetje.
Ik herinner me dat ik zo hard als ik kon wegrende van
de schuilkelder terwijl de bommen over mijn hoofd scheerden,
de Rode Kmer in het wilde weg schoot en de landmijnen
her en der ontploften. Ik zag tientallen mensen om me
heen neervallen. Ik bleef ongedeerd. Toen ik, moe van
het rennen, langzamer ging lopen, schopte ik tegen iets.
Het was een granaat. Maar er volgde geen ontploffing."
Zoals zoveel overlevenden, vroeg ze zich bijna dagelijks
af waarom zij nog leefde en al die anderen niet. "Mijn
jongere zusje, die het niet heeft overleefd, was mooi
en intelligent. Ze was een veel beter persoon dan ik.
Als kind vocht ik veel, ik bracht mezelf voortdurend
in de problemen. Als ik de kans kreeg stal ik brood
van andere mensen die zwakker waren dan ik. Mijn zusje
zou dat nooit gedaan hebben, hoe hongerig ze ook was.
Zij verdiende het om te overleven - ik niet. Het schrijven
van dit boek heeft alles te maken met dat schuldgevoel.
Ik heb iets goed te maken. Het 'waarom' kan ik pas de
laatste jaren een beetje loslaten. Ik begin te beseffen
dat er geen redenen zijn. Je hebt geluk of niet."
Voordat de soldaten van de Rode Kmer hun stad Phom Penh
binnenvielen, leidde Loung en haar zeven broertjes en
zusjes een rustig bestaan. Haar bedrukte gezicht begint
te stralen als ze vertelt hoe haar leven eruit zag:
"Mijn vader was een zakenman die van het leven
genoot. Hij gaf ons alles wat we nodig hadden, en meer.
Ik ging naar school, speelde met buurtgenootjes en mocht
af en toe mee op reis. Mijn enige probleem was dat ik
teveel junkfood at: ik was dol op geroosterde sprinkhanen
met zout."
Nadat de familie Ung gedwongen werd hun huis te verlaten,
zwierven ze van dorp naar dorp. Omdat Loungs vader een
gestudeerd man was (hij sprak negen talen) en bovendien
ooit gewerkt had als regeringsambtenaar, moesten ze
hun identiteit verbergen. Loung werd geïnstrueerd
om geen slimme dingen te zeggen en zich te gedragen
als een plattelandsmeisje. "De eerste dagen gedroeg
ik me nog als een verwend meisje dat zeurde om eten,
niet wilde werken en alleen maar terug wilde naar huis.
Toen ik zag hoe de soldaten onze kleren verbrandden,
en de rode jurk die mijn moeder voor me had gemaakt
in vlammen opging, wist ik dat het leven nooit meer
hetzelfde zou zijn. Zwart werd de nationale kleur. Ons
haar werd tot onder de oren afgeknipt. Vanaf dat moment
was ik geen kind meer. Ik wist dat spelen tot het verleden
behoorde en dat ik moest overleven."
Nadat hun identiteit was uitgelekt, werd haar vader
door de guerrillastrijders van de Rode Kmer weggevoerd
en vermoord. Een paar dagen later stuurde haar moeder
Loung het huis uit. Ze was toen acht jaar oud. "Ze
duwde me de deur uit en toen ik tegenstribbelde gaf
ze me een klap op mijn kont. Ze was volkomen overstuur
en schreeuwde dat ze me nooit meer wilde zien. Ik wist
niet dat ze me wegstuurde omdat ze dacht dat we samen
een veel groter risico zouden lopen dan wanneer we gescheiden
waren. Ik wist niet dat ze me alleen maar wilde beschermen.
Ik dacht dat het allemaal mijn schuld was en dat ze
boos op me was. Het is nog steeds moeilijk voor me om
erover te praten, want dan voel ik me ineens weer dat
meisje dat nergens welkom is."
Niet lang daarna werd ook Loungs moeder vermoord. "Voordat
ik wees werd, voelde ik me verdrietig, afgewezen, verward.
Toen ik hoorde dat mijn moeder dood was, voelde ik nog
maar twee dingen: boosheid of helemaal niets. De dagen
nadat ik het nieuws hoorde, zijn helemaal weg uit mijn
geheugen. Ik weet niet meer waar ik sliep, wat ik at
of hoe ik in leven bleef. Mijn lichaam zal het wel overgenomen
hebben, want mijn geest was verdoofd."
 |
Loungs moeder was lang, mooi
en had een lichtere huid dan andere Cambodiaanse
vrouwen. Ze liep als een amazone door het dorp.
"Haar schoonheid is haar fataal geworden.
De Rode Kmer tolereerden alleen mensen met een
puur Cambodiaans uiterlijk die opgingen in de
massa. Het moet vreselijk voor haar geweest
zijn om haar kinderen weg te sturen. Als ze
het niet had gedaan, waren we allemaal dood
geweest. Ze wilde haar kinderen de beste kans
geven om te overleven, ook al betekende dat
dat ze hen op straat moest laten zwerven. Ze
deed wat ze moest doen. Er is veel kracht voor
nodig om te doen wat zij heeft gedaan. Toch
heeft het me jaren gekost om dat te begrijpen."De
zwervende en bedelende Lung werd opgemerkt door
een soldaat van de Rode Kmer en rerecruteerd
als kindsoldaat. Ze werd getraind om haar eigen
volk te doden. "Ik leerde met messen en
geweren omgaan, maar erger dan dat vond ik de
propaganda. We kregen te horen dat het Cambodiaanse
volk niet te vertrouwen was, dat de Amerikanen
alle kinderen wilden vermoorden, en dat zelfs
onze ouders ons zouden verraden als het moest.
De enigen die kinderen konden beschermen, waren
de leiders van de Rode Kmer. |
Als je vijf of zes bent, bang, op zoek
naar zekerheden en goedkeuring, geloof je dat. En anders
doe je alsof je ze gelooft, zodat je een korst brood
krijgt. Het was alles wat we hoorden. Ontmoetingen waren
verboden, er was geen krant, geen radio. Ik twijfelde.
Ik geloofde niet dat mijn ouders slecht waren. Ze hadden
van me gehouden, dat wist ik zeker. Als mijn vader de
aanslag zou hebben overleefd, zou hij door mijnenvelden
lopen om me te bereiken. Ik was zijn prinses. Als dat
gelogen was, zal dat andere ook wel niet waar zijn,
dacht ik. Gelukkig heb ik nooit iemand doodgeschoten.
Ik heb nooit hoeven vechten. Het was mijn taak om het
kamp te bewaken met mijn geweer."Ze richt haar
blik op een punt in de verte. "Ik denk dat er twee
dingen zijn die mijn wil hadden kunnen breken: als ik
iemand had moeten doden of als ik verkracht werd. Dat
laatste is bijna gebeurd. Op mijn negende liet een Vietnamese
soldaat me in het bos in de val lopen. Hij trok zijn
broek naar beneden en ik zag voor de eerste keer een
mannelijk geslachtsorgaan. Ik vocht, sloeg, schopte
hem tussen zijn benen en bleef schoppen toen hij op
de grond lag. Toen rende ik weg. Mijn kwaadheid heeft
me gered. Er werd nooit over gepraat, maar ik had al
teveel vrouwen gezien die werden weggevoerd door soldaten
en de volgende ochtend terugkwamen met een dode blik
in hun ogen. Ik wist niet precies wat er met ze gebeurd
was, maar het was slecht. Ik kwam die soldaat later
nog eens tegen, maar hij herkende me niet meer. Voor
hem had ik geen betekenis."
Drie jaar geleden, en zestien jaar na haar vlucht over
de oceaan, keert Loung voor het eerst terug naar haar
moederland. Het manuscript brandt in haar tas. "Het
was geweldig om ze allemaal terug te zien. Ik wilde
op de een of andere manier goedkeuring van mijn familie
om het boek te publiceren, want het was ook hun verhaal.
Ik wilde voorstellen om de opbrengst van het boek te
delen, maar dat bleek helemaal niet nodig. Het was zo
arrogant van me om te denken dat ze het niet zouden
begrijpen. Ook al wonen ze in een klein dorpje, zonder
electriciteit, stromend water, telefoon of boeken, en
zijn ze nog vooral bezig te overleven, toch begrepen
ze het belang van het boek. Dit is niet alleen ons verhaal,
zeiden ze rustig, maar dat van het hele Cambodiaanse
volk. Ze waren trots op me. Nog nooit in mijn leven
ben ik zo ontroerd geweest."
Als woordvoerder van de International Campaign to Ban
Landmines, bezoekt ze Cambodja tegenwoordig meerdere
keren per jaar. Op forums, congressen en universiteiten
spreekt ze over haar ervaringen in Cambodja en het leed
dat de overgebleven landmijnen nog steeds veroorzaken.
"Het moorden gaat nog steeds door. Rode Kmerleider
Pol Pot noemden de landmijnen zijn eeuwige soldaten
die geen slaap, voedsel of loon nodig hadden. De tien
miljoen landmijnen die nog in mijn land begraven liggen
doden of misvormen iedere dag opnieuw onschuldige mensen.
Wereldwijd vallen er zesentwintigduizend slachtoffers
per jaar. Kun je je voorstellen wat een commotie het
zou veroorzaken als al die mensen in een keer zouden
sterven? Maar één been, één
arm, één dode per dag maakt geen nieuws.
Daarom wil ik erover spreken."
Het doet Loung goed te praten over wat ze weet. "Hoe
meer ik vertel, hoe meer ik me geheeld voel. Tijdens
de oorlog waren we onzichtbaar. Er was geen pers in
Cambodja, dus de wereld wist niets van ons lijden. We
dachten dat het niemand iets kon schelen. Als er honderden
mensen in een zaal naar me luisteren, voel ik dat het
hen wel iets kan schelen. Ik zoek geen medelijden -
daar heb ik niets aan - maar ik wil inspireren. Ik wil
het onzichtbare zichtbaar maken. Soms word ik moe van
mezelf, hoor. Ik ben zo serieus. Veel serieuzer dan
mijn leeftijdsgenoten. Het lukt me niet om gesprekken
te voeren over het weer. Het lijkt me heerlijk om te
kunnen keuvelen, maar ik kan het niet. De oorlog heeft
me veranderd, natuurlijk, dat kan niet anders. Het heeft
me veel verdriet bezorgd, maar uiteindelijk sterker
gemaakt. Ik weet: de ergste dagen van mijn leven heb
ik al achter de rug. Ik voel me geen slachtoffer. Ik
ben een combinatie van slachtoffer, overlever en dader
- zoals wij allemaal. Soms vind ik het allemaal zo oneerlijk,
dat ik onder de dekens wil kruipen. Op andere dagen
ben ik zo kwaad, dat ik de macht wil grijpen en het
land besturen. En soms wil ik trouwen met een lieve
man, kinderen krijgen en op een boerderij gaan wonen.
Piekeren welke jurk ik nu weer zal aantrekken en simpelweg
gelukkig zijn." |