| |
Inleiding en fragment uit 100 spirituele plekken
die je gezien moet hebben
Inleiding
‘Bedevaart wordt steeds populairder’ kopte de
Volkskrant terwijl ik dit boek aan het schrijven was.
Steeds meer Nederlandse toeristen, vooral jongeren, boeken
een spirituele vakantiebestemming. ‘Veel jongeren zijn
misschien niet eens gelovig, maar wel op zoek naar spirituele
verdieping.’ Dat verbaasde mij niets, want je hoeft
niet religieus te zijn om een heilige plek te willen bezoeken.
Je verwacht een bijzonder avontuur te beleven, niet door
extravagante luxe of sportieve kicks, maar omdat het een
diepere, persoonlijke betekenis heeft. Je onderneemt een
bedevaart in de hoop rust, troost, kracht, inspiratie, steun
of heling te vinden.
Sommige plekken op de wereld nodigen uit tot reflectie. Krachtplekken in de
natuur, eeuwenoude bedevaartsoorden, religieuze overblijfselen van verdwenen
beschavingen – die plekken doen iets met je. Ze schudden je wakker, geven
je levenslust, maken je bewust van verborgen zaken, doen je beseffen wat je
ook alweer echt belangrijk vindt in het leven.
Al jaren bezoek ik, samen met mijn moeder, geliefde, vrienden of in mijn eentje,
dit soort spirituele plaatsen. Ik keer er soms verward, soms geïnspireerd,
maar altijd opgeladen van terug. Alsof de troebelheid weg is en ik weer duidelijk
zie wat mijn plek is in de wereld en dat alles met alles verbonden is. Ik ben
geloof ik niet zo’n aards type. Sommigen van jullie weten misschien dat
ik me heb laten inwijden in de hekserij (de oudste natuurreligie van Europa),
maar mijn relatie met de natuur moet ik steeds nieuw leven blijven inblazen.
Van nature ben ik namelijk een dromer en een denker. Door mezelf af en toe
mijn schrijfkamer uit te sturen en te reizen naar bijzondere plaatsen, zet
ik mijn zintuigen op scherp en verbind ik me weer met alles wat leeft.
Op de gewijde plekken in dit boek – of het nu de kathedraal van Chartres
was, de stenencirkel in Stonehenge, de Mariakapel in Kevelaer of de Mayatempels
in Chitzen Itza – voelde ik dat de bouwwerken slechts zichtbare tekenen
zijn van iets diepers. Wat het heilig maakt, is onzichtbaar. Geen storm kan
het vernielen, geen vuur kan het in de as leggen, geen verhaal kan het ontkrachten.
Het vergankelijke wordt gedragen door het onvergankelijke en zonder precies
te weten wat ik zocht, vond ik het terug: het mystieke dat onder het tastbare
ligt. De heilige plekken in dit boek zijn voor mij verankeringplaatsen van
hogere energieën. Ik voelde tot mijn eigen verwondering dat ik ermee in
contact sta en me eraan kan laven.
‘100 spirituele plekken die je gezien moet hebben’ schreef
ik samen met mijn beste vriend Joris van de Weerd. We hebben geprobeerd een gids
te maken die niet alleen maar informatie over de plek geeft, maar vooral inzicht
in het persoonlijk beleven van een bedevaart. We hopen je zo te inspireren om
erop uit te trekken en te ontdekken dat de aarde een magische plek is, levend,
popelend om contact te maken.
Amsterdam, maart 2009
 |
Land: Mexico
Plaats: Chitzen Itza en Coba
Spirituele plek: Mayatempels van Chitzén Itzá en Cobá
Met een zacht plofje raken de wielen de bodem. Na ruim tien uur vliegen zijn
we in Mexico. Morgen zal ik met een vriend een auto huren en ter queeste trekken.
Op twee uur rijden, in het noorden van het schiereiland Yucatán, ligt
namelijk de ruïnestad Chitzén Itzá. Het was een religieuze
metropool waar de Mayacultuur nog tot de elfde eeuw bloeide. De Maya’s
hebben me altijd tweeslachtige gevoelens bezorgd. Aan de ene kant is er hun
gerichtheid op zon en maan en de mysterieuze Mayakalender die me aanspreken,
aan de andere kant zijn er de verhalen van offerrituelen die me doen gruwelen.
De volgende ochtend is het nog vroeg als we de grote weg verlaten om Cobá,
een kleinere ceremonieplaats van de Maya’s, te bezoeken. We passeren
kleine dorpjes met huizen van golfplaat, broodmagere straathonden, kinderen
op blote voeten. Ineens slaakt F. een kreet en geeft een ruk aan het stuur.
Een enorme vogelspin kruipt tergend langzaam de weg over. We zijn er nog maar
net van bijgekomen als we er nog een zien. En nog een. Goeie god, dit is Tarantularoad.
We tellen er uiteindelijk vierentwintig. Bij nummer twaalf gil ik niet meer
en bij nummer achttien durf ik tussen mijn vingers naar het achtpotige beest
te loeren.
Cobá blijkt half verscholen in het oerwoud te liggen. Er rijden fietstaxi’s
rond, maar wij besluiten over de grindpaden door de schitterende natuur te
wandelen – ik met een half oog op de grond gericht in verband met eventuele
spinnen. Het is al flink opgewarmd, maar onder het bladerdak is het gerieflijk.
Hier en daar zien we, half verscholen achter bomen en begroeiing, eeuwenoude
tempels. Het ziet er allemaal spannend en mysterieus uit. Een beetje Indiana
Jones. Ineens duikt tussen de bomen de 42 meter hoge piramide op waar ik over
gelezen heb: La Iglesia. We beklimmen het, trede voor trede, ons om de tien
meter verbazend over het fantastische uitzicht op de andere gebouwen en het
oerwoud.
Rond het middaguur rijden we door naar Chitzén Itzá, dat in Maya ‘aan
de bronnen van Itzá’ betekent. Het parkeerterrein staat vol toeristenbussen,
er zijn talloze souvenirwinkels en restaurants en bij de kassa krijgen we een
polsbandje om. Het is allemaal wat minder Indiana Jones, zullen we maar zeggen.
Anders dan Cobá is dit een uitgestrekt, open landschap waar de tempels
her en der in verspreid liggen. Deze plek mag dan flink geëxploiteerd
worden, toch ontlokt het aanzicht, zodra we de kermis bij de ingang achter
ons hebben gelaten, bij ons een hartgrondige wauw. De kalkstenen piramiden,
tempels, zuilengalerijen en paleizen zijn ooit gebouwd om indruk te maken en
dat lukt ook in halfvergane vorm nog steeds. Niet voor niets werd Chitzén
Itzá in 2007 verkozen tot een van de zeven nieuwe wereldwonderen.
Ook dichterbij zien de overblijfselen eruit als iets wat niet tot de gewone
werkelijkheid behoort. Vooral de El Castillo tempel imponeert me. Het is in
feite een wat fors uitgevallen kalender: de 18 niveaus corresponderen met de
18 maanden waaruit de Maya kalender bestond, het totale aantal treden is 365,
de dagen van een jaar, en het aantal vlakken op de zijkanten 52, het aantal
jaren waaruit een Maya eeuw bestond. Een ander gebouw, dat bestaat uit een
koepel over twee grote terrassen, zou gediend hebben als observatorium. Drie
muuropeningen zijn precies gericht op de ondergangspunten van de zon en maan.
Het doet me beseffen dat deze hemellichamen, die het leven hier op aarde mogelijk
maken, in onze moderne religies zo worden vergeten.
De minder fijnzinnige kant van de Maya’s wordt me duidelijk als we voor
het grootste bouwwerk staan: een trappenpiramide met een Tolteekse tempel erop.
Priesters zouden hier mensenharten geofferd hebben. Als ik beter om me heen
kijk, zie ik agressieve versieringen van krijgers, adelaars die harten uit
levende mensen rukken en doodshoofden. De gevederde slang in mensengedaante
heb ik al eens eerder gezien. Het is Chac, de god van de regen en de vruchtbaarheid.
De hitte is inmiddels bijna niet te verdragen, maar toch lopen we naar een
bron die zich aan de rand van het terrein bevindt. Het ziet eruit als een ronde
krater en heeft een doorsnee van zo’n zestig meter. Het geeft me de kriebels.
Het is onnatuurlijk rond en steil, maar toch schijnt het op natuurlijke wijze
te zijn ontstaan na het instorten van stukken kalksteen of, zoals sommige wetenschappers
geloven, na de inslag van een meteoriet. Deze bovengrondse poel wordt een cenote
genoemd en wordt als heilig beschouwd. Hoe langer ik erin staar, hoe meer ik
het gevoel krijg dat deze poel de reden is dat juist hier het religieuze centrum
van de Maya’s werd gebouwd. De Amerikaanse amateur archeoloog Edward
Thompson was er in de negentiende eeuw van overtuigd dat dit de offerbron was
waarover hij in de reisverslagen van een Spaanse missionaris uit de zestiende
eeuw had gelezen. De priesters zouden hier in droge tijden maagden in hebben
geduwd om de regengod gunstig te stemmen. En inderdaad, bij zijn opgravingen
stuitte hij op sieraden, jade en beenderen van jonge meisjes en jongens.
Als we teruglopen en met gemengde gevoelens praten over deze huiveringwekkende
verdwenen beschaving, begint het te betrekken. We haasten ons naar de ingang
van het terrein, maar het begint al te plenzen alsof er een kraan wordt opengezet.
Gillend en lachend rennen we naar het dichtstbijzijnde bouwwerk om te schuilen.
Terwijl de regen met bakken uit de lucht komt, kijk ik omhoog, naar een goddelijk
gevederde slang met een enorme muil en hemelwaarts gerichte staart. Het is
Chac.
De Maya’s mogen dan uitgestorven zijn; de regengod is alive and kicking.
|
|